Half oktober vallen de eerste wintergasten binnen, vaak in één nacht: kepen onder de beuken, koperwieken in de bessen, kramsvogels over het weiland. Hoeveel er komen verschilt sterk per jaar, en dat hangt niet af van het Nederlandse weer maar van de zaadoogst in Scandinavië en de taiga. Welke soorten je tussen half oktober en eind november kunt verwachten, waar je per soort moet kijken, en de vier verwisselingen die het vaakst misgaan.
De eerste wintergasten vallen half oktober binnen, en ze doen dat vaak in één nacht. Waar het bos een week eerder nog van de eigen bewoners was, zitten er dan plotseling vogels die er in september niet waren: kepen onder de beuken, koperwieken in de bessen, kramsvogels tsjakkend over het weiland. Ze komen uit Scandinavië, Finland en Noordwest-Rusland, en ze blijven tot in maart.
Het bijzondere aan deze groep is dat je nooit precies weet wat je krijgt. Sommige wintergasten komen elk jaar in min of meer dezelfde aantallen. Andere komen de ene winter met duizenden en de volgende bijna niet — en dat heeft niets met het Nederlandse weer te maken, maar met de zaadoogst van bomen duizenden kilometers verderop.
Hieronder staan de soorten die je tussen half oktober en eind november kunt verwachten, waarom hun aantallen zo verschillen, en waar je het beste gaat kijken. Met de verwisselingen erbij die het vaakst misgaan, want een keep is bij een vluchtige blik een vink en een koperwiek een zanglijster.

Wat wintergasten zijn, en waarom hun aantallen elk jaar verschillen
Wintergasten zijn vogels die hier niet broeden maar wel overwinteren. Voor de meeste soorten hieronder geldt dat strikt: de koperwiek broedt niet in Nederland, de keep vrijwel nooit. Vogelbescherming Nederland schat het aantal broedende kepen op 0 tot 5 paren, tegen 50.000 tot 100.000 overwinteraars. De kramsvogel zit daartussenin, met 10 tot 25 broedparen en 200.000 tot 500.000 wintervogels.
Dat de aantallen schommelen heeft twee oorzaken. De eerste is het broedsucces in het noorden: een goed insectenjaar in Lapland betekent dat er in oktober meer vogels zijn die zuidwaarts moeten. De tweede is voedselschaarste, en die bepaalt of de wintergasten bij ons terechtkomen.
Vogelbescherming legde dat tweede deel in januari 2020 uit, naar aanleiding van een winter waarin de verwachte invasies juist uitbleven: voedseltekort „duwt” vogels in een bepaalde richting, en voor een echte invasie heb je beide nodig — veel vogels én daarna gebrek. De cycli die hier het meest uitmaken zijn het zaadaanbod van naaldbomen, vooral fijnspar, van berk, en van bessen — lijsterbes in het bijzonder.
Daarom is „hoeveel wintergasten komen er dit najaar” geen vraag die je in september kunt beantwoorden. Wat je wel kunt doen, is weten waar je moet kijken zodra ze er zijn.
De keep: duizenden wintergasten onder de beuken
De keep is de soort waar dit verhaal om draait, want hij is bijna volledig van één boom afhankelijk. In de winter eet hij zaden, en Vogelbescherming noemt specifiek beukennootjes, lariks en els. In de praktijk is dat vooral de beuk. Kepen zoeken scharrelend op de bosbodem, „soms in groepen van tientallen of honderden tegelijk”, en in de trektijd zijn volgens Vogelbescherming de oude beukenlanen favoriet.
Hoe ver dat kan gaan: in beukenbossen in Duitsland en Midden-Europa liggen slaapplaatsen van enkele miljoenen kepen, en in 2011 werden in één Belgische tuin 30.000 kepen geteld. Zulke concentraties haalt Nederland niet, maar het geeft aan hoe mobiel de soort is. Kepen zijn echte zwervers, die het beukennootjesaanbod door Europa volgen: waar de mast ligt, zitten zij.
De najaarstrek loopt van eind september tot in november, met de piek in oktober en november; Natuurmonumenten noemt dezelfde maanden voor de aankomst. In het bos hoor je ze vaak eerder dan je ze ziet: een nasale, stijgende roep die het best wordt weergegeven als kè-èèhhp — en daar komt de Nederlandse naam vandaan. Eén detail dat bij een grote groep opvalt: op de slaapplaatsen geldt een rangorde naar leeftijd en sekse.
De koperwiek: het geluid dat ’s nachts over je huis trekt
De koperwiek is de talrijkste van deze wintergasten en tegelijk de minst geziene, want hij trekt ’s nachts. Naar schatting trekken 3,4 tot 4,4 miljoen koperwieken uit Noorwegen, Zweden, Finland en Noordwest-Rusland door Nederland.
Die trek is extreem geconcentreerd: de hoofdtrek valt in de tweede helft van oktober en speelt zich gemiddeld af in ongeveer twaalf dagen. Vogelbescherming beschreef het najaar van 2022 zo:
„In de avond van 18 oktober 2022 hebben honderdduizenden, wellicht miljoenen koperwieken Noorwegen en Zweden verlaten om na een nachtelijke trektocht over de Noordzee op 19 oktober land fall te maken in Nederland.”
Op 19 oktober 2022 werden bij Texel 290.000 koperwieken geteld en bij Westenschouwen ruim 350.000 — dagtotalen op één telpost.
Het praktische gevolg: koperwiekentrek maak je niet mee door te kijken maar door te luisteren. Ga op een heldere, windstille avond in de tweede helft van oktober buiten staan en let op een hoge, scherpe psrieee… uit het donker — boven een woonwijk net zo goed als boven een bos. Bij daglicht vind je ze in bessendragende struiken: duindoorn in de duinen, hulst en lijsterbes in bos en park. De naam verwijst naar de koperrode „oksels” onder de vleugel, maar in het veld is de roomwitte wenkbrauwstreep het betrouwbaarste kenmerk.

De kramsvogel: de tsjakker van het open land
Waar de koperwiek bij bessen in struiken zit, is de kramsvogel de lijster van het open veld. Je ziet ze in groepen op graslanden, waar ze wormen zoeken zoals een merel dat doet: kijken, luisteren, toeslaan. In de winter schuiven ze op naar bessen en rottend fruit, en daarom zitten ze opvallend vaak in boomgaarden en in tuinen met liggende appels.
Het geluid maakt de soort makkelijk: een hard, ratelend tsjak-tsjak, waaraan de bijnaam „tsjakker” is ontleend. Een overvliegende groep is daardoor zonder zicht op de vogels al te benoemen — hetzelfde soort herkenning als in bosvogels herkennen op geluid.
De piek ligt iets later dan die van de koperwiek: eind oktober tot begin november. En dan kan het hard gaan. Het Nederlandse trekrecord staat op 117.230 kramsvogels die op 29 oktober 2019 over de duinen bij Den Haag trokken; in november 2013 werd op De Vulkaan in Den Haag tot 78.000 geteld, na stuwing langs de kustlijn bij tegenwind. Dat is hetzelfde principe als bij de vogeltrek in september: een kustlijn dwingt de trek in een smalle baan, en dan tel je op één plek wat zich over honderd kilometer verdeelt.
En één gedraging om op te letten, omdat ze zo eigen is: komt een kraai of roofvogel te dichtbij, dan verjagen kramsvogels die door er in de vlucht op te poepen.

De sijs: acrobaat in de elzen en berken
De sijs is de kleinste van het gezelschap, 11 tot 12 centimeter, en de makkelijkste om te vinden zodra je weet waar je moet kijken: in elzen. Sijzen hangen acrobatisch aan dunne twijgjes om zaad uit sparappels, elzenproppen en berkenkatjes te peuteren, en later in de winter zoeken ze het verwaaide elzenzaad op de grond op. Een elzensingel langs een sloot is daarmee een betere plek dan het bos.
De najaarstrek loopt vooral tussen eind september en half november, met de piek in oktober, en de aantallen zijn aanzienlijk: 100.000 tot 300.000 wintervogels naast 300 tot 600 broedparen. Bij de Euro Birdwatch van 3 oktober 2026 was de sijs met 14.616 vogels de vijfde soort van de dag. Het mannetje is geelgroen met een zwarte kruin, zwarte kin en zwarte vleugelstrepen, het vrouwtje grijsgroen en gestreept; beide hebben gele staartzijkanten, wat bij het opvliegen het snelst opvalt.
Barmsijzen en pestvogels: de wintergasten die niet elk jaar komen
Bij de vorige vier wintergasten gaat het om schommelingen. Bij deze twee om alles of niets.
De grote barmsijs is een taigasoort die leeft van berken-, sparren- en zwarte-elzenzaad. Invasies komen volgens Vogelbescherming ongeveer elke tien tot twaalf jaar, met eerdere jaren in 1986, 1995, 2005, 2008 en 2017. De grootste was die van 1986, toen in Den Haag „liefst 3149 barmsijzen werden geteld”; in 2017 piekte de trek in de week van 19 tot 26 november. Naast de kramsvogelcijfers hierboven zijn dat bescheiden getallen, en dat is precies het punt: een barmsijzeninvasie is een gebeurtenis van honderden, niet van tienduizenden. Dat ze van ver komen laat één ring zien: een grote barmsijs die in november 2004 in noordoost-China werd geringd, werd een jaar later gevangen in Meyendel bij Den Haag.
De pestvogel is de bekendste invasiesoort en de meest onvoorspelbare. Vogelbescherming houdt het bij: „Onvoldoende gegevens voor een trendanalyse. Aantallen wisselen sterk van jaar tot jaar.” De schattingen lopen van 100 tot 1.200 overwinteraars en 2.000 tot 10.000 doortrekkers. Hij komt tussen oktober en februari, met de meeste kans in november en december, en is volledig afhankelijk van bessen: lijsterbes vooral, daarnaast meidoorn, kornoelje en dwergmispel. Mislukt de lijsterbesoogst in het noorden, dan komen ze; lukt die, dan blijven ze weg. Pestvogels zijn bovendien een van de weinige wintergasten die je vaker in een stad dan in een natuurgebied ziet, omdat die bessenstruiken juist in plantsoenen staan.
De notenkraker: de verrassing van het najaar van 2026
Hoe zo’n invasie begint, was in het najaar van 2026 te volgen. Tijdens de Euro Birdwatch van 3 oktober 2026 was de meest bijzondere waarneming van de dag een notenkraker in Twente — een soort die Vogelbescherming „heel zeldzaam in Nederland” noemt, en waarvan er in die week meerdere werden gezien.
Een week later was het geen losse waarneming meer. Op 9 oktober 2026 meldde Vogelbescherming dat de teller op „zo’n 30 notenkrakers” stond, geteld tot en met 8 oktober, met daarnaast meer onzekere waarnemingen van overvliegende vogels. De meeste zaten in het noordoosten van het land, en daarvan de meeste in Drenthe. De verwachting die Vogelbescherming erbij gaf: „in de loop van oktober zullen nog meer notenkrakers opduiken”.
De oorzaak is dezelfde als bij de barmsijs, maar hij ligt verder weg. Vogelbescherming wijst op voedselgebrek in Siberië, in jaren met weinig zaad van de Siberische den en de Siberische spar; vogelskijken.nl houdt het ruimer op een tegenvallende oogst van zaden van dennen, sparren en andere naaldbomen in Noord- en Oost-Europa. In beide lezingen wijken de vogels westwaarts uit. Eerdere invasies waren er in 1954, 1968/1969 (de grootste, met tienduizenden vogels), 1977, 1991, 2008 en 2018; het patroon is dat ze in de herfst beginnen en na november afnemen.
We noemen hier bewust geen vindplaatsen. Bij een zeldzame soort die op één plek blijft hangen is een preciezere aanduiding dan de regio een uitnodiging tot drukte, en dat is precies wat verantwoord spotten niet is.
Vier verwisselingen, en hoe je ze voorkomt
Alle vier de paren hieronder zitten in dezelfde weken op dezelfde plekken.
Keep of vink?
Ze zitten vaak in dezelfde groep, en op de bosbodem tussen gevallen blad lijken ze sterk op elkaar. Beslissend is de witte buik met een oranje borst en oranje vleugeldekveren, plus ronde donkere vlekken op de flanken. Bij het opvliegen zie je bij de keep een witte stuit; de vink heeft daar groengrijs. Het donkere deel van het keepverenkleed wordt in de loop van de winter glanzend zwart, dus in oktober is het contrast matter dan op de meeste foto’s.
Koperwiek of zanglijster?
Beide zijn bruine lijsters met een gevlekte onderkant, en ze zitten in oktober in dezelfde bessenstruiken. De koperwiek heeft een roomwitte wenkbrauwstreep en koperrode oksels; de zanglijster heeft geen wenkbrauwstreep en is onder de vleugel geelbruin. Het geluid is doorslaggevend: een scherp psrieee… hoort bij de koperwiek. Dat de zanglijster er in oktober ook is, bleek bij de Euro Birdwatch van 3 oktober 2026, waar hij met 18.610 vogels vierde stond.
Kramsvogel of koperwiek?
De kramsvogel is de grotere van de twee, met een grijze kop, lichtgrijze stuit, witte ondervleugels en een lange staart met zwart uiteinde. De koperwiek is kleiner en compacter met spitsere vleugels, en vliegt sneller. Zitten ze samen in een boomgaard, dan is de kramsvogel degene die rechtop zit met hangende vleugels.
Sijs of groenling?
Beide zijn geelgroen. De sijs is duidelijk kleiner, scherp gestreept en heeft gele vleugelstrepen, en hij hangt ondersteboven aan twijgen, wat een groenling niet doet. Zie je een kleine geelgroene vogel acrobatisch in een els: sijs.
Wat de beuk ermee te maken heeft
De keep is de duidelijkste schakel tussen de wintergasten en de bomen waaronder ze zitten, en daarmee tussen dit artikel en het mastjaar. Dragen de beuken massaal vrucht, dan ligt de bosbodem vol beukennootjes en kan één bos dagen achter elkaar honderden kepen onderhouden. In een slecht beukenjaar trekken ze door naar waar de mast wél ligt.
Hier zit een nuance die makkelijk verloren gaat. „Mastjaar” wordt doorgaans als één getal gebracht, maar eik en beuk lopen niet gelijk op, en het beeld kan van jaar op jaar omslaan. De mastopname van de Veluwe van 13 oktober 2026, door De Natuurkalender, Wageningen University & Research en de Faunabeheereenheid Gelderland, komt uit op naar schatting 2,8 miljoen kilo eikels en beukennootjes samen, tegen een gemiddelde van 4,7 miljoen kilo — in totaal dus een matig mastjaar. Maar 1,3 miljoen kilo daarvan is beukennoot, en dat is het veertiende jaar op rij met een beukenoogst. Dat is precies omgekeerd aan vorig najaar, toen de eikels er massaal lagen en slechts 27 procent van de beuken had gebloeid. Voor wilde zwijnen, gaaien en de eekhoorn is dit najaar daarmee schraler dan het vorige; voor de keep, die het van de beuk moet hebben, juist ruimer.
Wie wil weten of het een keepjaar wordt, moet dus niet naar de eikels kijken maar naar de beuken: liggen er driehoekige napjes en nootjes onder de oude beuken, of niet. Dat is met één wandeling vast te stellen, en betrouwbaarder dan welke voorspelling ook. En de mast werkt een jaar door: bosmuizen en rosse woelmuizen profiteren van een goed mastjaar en pieken het jaar erna, wat weer te horen is aan de uilen in het najaar — de bosuil in het bos, de velduil in open terrein.
Waar je wintergasten vindt: vier soorten plekken
Per soort hoort een ander landschap, en de juiste plek scheelt meer dan het juiste uur.
Oude beukenlanen en beukenbossen — voor kepen, en vaak ook voor appelvinken, die ook op beukennootjes afkomen. Dit is het sterkste punt van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug: de Leuvenumse Bossen, Nationaal Park Veluwezoom, het Deelerwoud, Planken Wambuis, Nationaal Park De Hoge Veluwe en Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. Let op: Kroondomein Het Loo, dat hier inhoudelijk uitstekend bij past, is elk jaar van 15 september tot en met 25 december gesloten — precies in deze periode.
Bessendragende struwelen, duinen en parken — voor koperwieken en pestvogels. Duindoorn is hier de sleutelplant, en Nationaal Park Zuid-Kennemerland is daarvoor het meest toegankelijke gebied; de binnenduinrand is ook de strook waarlangs de grote lijsteraantallen trekken. Hulst en lijsterbes doen hetzelfde werk verder landinwaarts.
Open grasland, boomgaarden en veenranden — voor kramsvogels. Deze wintergasten zoeken open land met boomgroepen: Eemland, het Fochteloërveen, Nationaal Park Dwingelderveld en Nationaal Park Drents-Friese Wold.
Elzensingels langs water — voor sijzen en barmsijzen. Dit is het type plek dat niemand een natuurgebied noemt en dat toch het beste werkt. In De Onlanden en het Leekstermeer en in Nationaal Park De Biesbosch is dat op grote schaal aanwezig.
De kalender, en waarom het weer de dag bepaalt
De aankomst is niet gelijkmatig. Per soort ziet het er zo uit:
- Keep — vanaf eind september, piek oktober en november, blijft de winter door.
- Koperwiek — hoofdtrek tweede helft oktober, in ongeveer twaalf dagen; aanwezig van september tot mei.
- Kramsvogel — piek eind oktober tot begin november; aanwezig van september tot mei.
- Sijs — trek vooral eind september tot half november, piek oktober.
- Grote barmsijs — in invasiejaren piek in de tweede helft van november.
- Pestvogel — oktober tot februari, de meeste kans in november en december.
- Notenkraker — in invasiejaren vanaf de herfst, afnemend na november.
Binnen die weken bepaalt het weer de dag. Koperwieken vertrekken massaal uit Scandinavië bij een heldere avond met noordelijke wind in de rug, en komen dan de volgende ochtend als één golf aan. Draait de wind daarna naar tegenwind, dan stuwt de trek langs de kust en krijg je de dagtotalen van tienduizenden die op telposten bij Den Haag, Bergen en in Zeeland worden geteld. De praktische regel: kijk na een heldere nacht met noordenwind, en ga bij tegenwind naar de kust in plaats van naar het bos.
Op de wildkalender van oktober en die van november staat wat er in dezelfde weken verder te zien is; december is de maand waarin deze groep op zijn volledigst aanwezig is. Er lopen twee andere seizoensverhalen door: de ganzen komen in dezelfde oktoberweken binnen — een polder met kolganzen ligt vaak op een kwartier van de beukenlaan met de kepen — en ook de kraanvogeltrek valt in deze periode. Verder is het edelhert aan het eind van de bronst, terwijl de damhertenbronst juist begint.
Wat de lange termijn laat zien
Een beukenlaan met driehonderd kepen voelt als overvloed. De meetreeksen zeggen iets anders, en het is eerlijker dat erbij te zetten.
Sovon meet wintervogels met de Punt-Transect-Tellingen in december. Daaruit komt voor de keep sinds 1980 een significante afname van minder dan vijf procent per jaar, met over de laatste twaalf jaar geen aantoonbare trend. Voor de kramsvogel is het beeld slechter: een significante afname op zowel de lange als de korte termijn, en als broedvogel een significante afname van meer dan vijf procent per jaar. Keep en kramsvogel staan beide op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. De koperwiek is de uitzondering: sinds 1980 een significante afname, maar over de laatste twaalf jaar juist een significante toename. Twee waarheden die beide kloppen, afhankelijk van welk venster je kiest — en een goed voorbeeld van waarom een trendkwalificatie zonder periode weinig zegt.
Daar hoort één bevinding bij. In onderzoek dat in 2021 in Journal of Animal Ecology verscheen en waaraan Sovon meewerkte, zijn over 1980–2016 bijna drie miljard getelde vogels uit tien landen vergeleken. De conclusie: wintergasten reageren sneller op klimaatverandering dan broedvogels, en de kramsvogel hoort bij de soorten waarvan de winterverspreiding krimpt.
Wintergasten kijken en fotograferen zonder te verstoren
Wintergasten zijn aan het bijtanken of aan het doortrekken, en bij beide is verstoring duurder dan het lijkt: een groep kepen die van de bosbodem wordt opgejaagd, moet energie uitgeven die voor de nacht bedoeld was.
- Blijf op het pad en laat de groep naar jou toe komen. Wintergasten die ongestoord foerageren schuiven vaak van zichzelf dichterbij; erachteraan lopen levert één vluchtfoto en daarna niets.
- Slaapplaatsen laat je met rust. Dat is het kwetsbaarste moment van de dag, en herhaalde verstoring kan een groep er helemaal weg krijgen.
- Zoek een zittende vogel, geen vliegende groep. Een koperwiek in een lijsterbes is bij een normale brandpuntsafstand haalbaar; een trekgolf bij nacht is dat niet.
- Vermeld een voederplek in het bijschrift als de foto daarbij is gemaakt. Dat heeft de kijker nodig om het beeld te plaatsen.
- Bij een zeldzame soort: geen precieze plaats delen. Bij een notenkrakerinvasie geldt dat nadrukkelijk.
De volledige uitgangspunten staan in verantwoord spotten. Wie wil oefenen in herkennen voordat de wintergasten er zijn: in welke specht is dit en bosvogels herkennen op geluid staan de soorten die het hele jaar blijven.
Geef je waarnemingen door op Waarneming.nl. De aantallen in dit artikel komen uit precies dat soort tellingen: de Euro Birdwatch van 3 oktober 2026 leverde in Nederland ongeveer een half miljoen vogels op — 435.621 bij de voorlopige stand, verdeeld over 208 soorten, met de vink bovenaan met 134.816 exemplaren. Dat cijfer bestaat omdat honderden mensen op één zaterdag zijn gaan staan tellen.

Veelgestelde vragen
Wanneer komen de wintergasten precies aan?
De eerste kepen en sijzen zijn er vanaf eind september. De grote aankomst valt in de tweede helft van oktober: de hoofdtrek van de koperwiek is in ongeveer twaalf dagen geconcentreerd, en de kramsvogel piekt eind oktober tot begin november. Barmsijzen en pestvogels komen later, vanaf de tweede helft van november.
Waarom zie ik de ene winter veel wintergasten en de andere bijna geen?
Omdat er twee dingen moeten samenkomen: een goed broedseizoen in het noorden, zodat er veel vogels zijn, en daarna voedselschaarste daar, zodat ze moeten uitwijken. Ligt er in Scandinavië genoeg zaad, dan blijven ze gewoon zitten. Vogelbescherming beschreef in januari 2020 een winter waarin precies dat gebeurde en de verwachte invasies uitbleven.
Wat is het verschil tussen een keep en een vink?
De keep heeft een witte buik met een oranje borst en oranje vleugeldekveren, ronde donkere vlekken op de flanken, en een witte stuit die bij het opvliegen opvalt; de vink heeft daar groengrijs. De roep van de keep is een nasaal, stijgend kè-èèhhp.
Hoe hoor ik koperwieken ’s nachts?
Ga op een heldere, windstille avond in de tweede helft van oktober buiten staan en let op een hoge, scherpe psrieee… uit het donker, los en herhaald. Dat werkt boven een woonwijk net zo goed als boven een bos, en apparatuur heb je er niet voor nodig.
Hebben kepen een mastjaar nodig?
Ze zijn er sterk van afhankelijk, want hun wintervoedsel is vooral beukennootjes. Belangrijk daarbij: eik en beuk dragen niet gelijk op. Bij de laatst gepubliceerde mastopname op de Veluwe, die van 2025, was de eikeloogst ver boven gemiddeld terwijl maar 27 procent van de beuken bloeide. Kijk dus onder de beuken, niet onder de eiken.
Kan ik wintergasten in mijn tuin verwachten?
Sommige wel. Sijzen komen op zaad af, kramsvogels op liggende appels en rottend fruit, en koperwieken en pestvogels op bessenstruiken. Kepen bezoeken tuinen onregelmatig; de 30.000 in één Belgische tuin in 2011 zijn een uitzondering van een heel andere orde.
Gaan de aantallen vooruit of achteruit?
Per soort verschillend, en op lange termijn overwegend achteruit. Sovon meet voor de keep sinds 1980 een significante afname en over de laatste twaalf jaar geen aantoonbare trend; voor de kramsvogel een afname op beide termijnen; voor de koperwiek een afname sinds 1980 maar een toename over de laatste twaalf jaar.
Verder lezen bij de bron
- Vogelbescherming Nederland — Duizenden kepen onder de beuken (30 oktober 2018): piek in oktober en november, de beuk als favoriet, groepen van tientallen tot honderden, oude beukenlanen, slaapplaatsen van enkele miljoenen in Midden-Europa, en de 30.000 kepen in één Belgische tuin in 2011.
- Vogelbescherming Nederland — Maak kennis met de keep (Jeanet van Zoelen, 21 november 2022): herkenning, beukenlanen en parken, het zwerfgedrag achter de beukennootjes aan, en de rangorde op de slaapplaats.
- Vogelbescherming Nederland — vogelgids Keep: 0–5 broedparen, 50.000–100.000 overwinteraars, trek van eind september tot november, voedsel beukennootjes, lariks en els, Rode Lijst.
- Vogelbescherming Nederland — Koperwiekentrek! (Ruud van Beusekom, 2 november 2022): hoofdtrek in gemiddeld twaalf dagen, het citaat over de nacht van 18 op 19 oktober 2022, de dagtotalen bij Texel en Westenschouwen, en 3,4 tot 4,4 miljoen doortrekkers.
- Vogelbescherming Nederland — vogelgids Koperwiek: 25.000–100.000 overwinteraars, 200.000–1.000.000 doortrekkers, september tot mei, de kenmerken, de vliegroep en de bessenstruiken.
- Vogelbescherming Nederland — Nu te zien: de kramsvogel (Ruud van Beusekom, 25 november 2024): piek eind oktober tot begin november, de bijnaam tsjakker, bessen en rottend fruit, en het trekrecord van 117.230 vogels bij Den Haag op 29 oktober 2019.
- Vogelbescherming Nederland — vogelgids Kramsvogel: 10–25 broedparen, 200.000–500.000 wintergasten, september tot mei, en de Rode Lijst.
- Vogelbescherming Nederland — vogelgids Sijs: 300–600 broedparen, 100.000–300.000 wintervogels, trek van eind september tot half november, en het foerageren aan elzenproppen en berkenzaad.
- Vogelbescherming Nederland — Na bijna tien jaar weer een invasie van barmsijzen uit de taiga (Ruud van Beusekom, 11 december 2017): invasies elke tien tot twaalf jaar, de invasiejaren, de 3149 getelde vogels in Den Haag in 1986, en de ring uit noordoost-China.
- Vogelbescherming Nederland — vogelgids Pestvogel: het citaat over onvoldoende gegevens voor een trendanalyse, 100–1.200 overwinteraars, oktober tot februari met piek in november en december, en de bessen waarvan hij afhankelijk is.
- Vogelbescherming Nederland — Waar blijven die mooie vogels uit het noorden? (Marc Scheurkogel, 10 januari 2020): het invasiemechanisme, de combinatie van broedsucces en voedselschaarste, en de cycli in naaldboomzaad, berk en lijsterbes.
- Vogelbescherming Nederland — Half miljoen trekvogels geteld in Nederland tijdens Euro Birdwatch (3 oktober 2026): 31e editie, 435.621 vogels bij de voorlopige stand, 208 soorten, vink 134.816, zanglijster 18.610, sijs 14.616, en de notenkraker in Twente als bijzonderste waarneming.
- Vogelbescherming Nederland — Nu notenkrakers in Nederland! (Ruud van Beusekom, 9 oktober 2026): de stand van zo’n 30 notenkrakers tot en met 8 oktober, het zwaartepunt in Drenthe, het zaadgebrek van de Siberische den en de Siberische spar als oorzaak, en de verwachting van meer vogels in de loop van oktober.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland — trendgegevens Keep: Punt-Transect-Tellingen, december; significante afname van minder dan vijf procent per jaar vanaf 1980, geen aantoonbare trend over de laatste twaalf jaar.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland — trendgegevens Kramsvogel: broedvogels een significante afname van meer dan vijf procent per jaar op beide termijnen; wintervogels minder dan vijf procent per jaar op beide termijnen.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland — trendgegevens Koperwiek: significante afname van minder dan vijf procent per jaar vanaf 1980, significante toename van minder dan vijf procent per jaar over de laatste twaalf jaar.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland — Wintervogels volgen klimaatverandering sneller dan broedvogels (17 februari 2021, met Ruud Foppen; publicatie in Journal of Animal Ecology): 1980–2016, bijna drie miljard getelde vogels uit tien landen, en de kramsvogel bij de krimpende winterverspreidingen.
- Nature Today / De Natuurkalender — Ruim vijf miljoen kilo eikels en beukennootjes op de Veluwe vallen zeer vroeg (Arnold van Vliet, Wageningen University, en Gerrit Jan Spek, Faunabeheereenheid Gelderland, met de Vereniging Wildbeheer Veluwe, 27 september 2025): 5,4 miljoen kilo totaal, 4,7 miljoen kilo eikels tegen een gemiddelde van 3,1 miljoen, en 27 procent bloeiende beuken.
- Nature Today / De Natuurkalender — 14de jaar op rij beukennootjes, en het zijn er veel (Arnold van Vliet, Wageningen University & Research, en Gerrit Jan Spek, Faunabeheereenheid Gelderland, 13 oktober 2026) — 2,8 miljoen kilo eikels en beukennootjes samen tegen een gemiddelde van 4,7 miljoen, waarvan 1,3 miljoen kilo beukennootjes, het veertiende jaar op rij met een beukenoogst.
- Natuurmonumenten — Wintergasten: de keep vanaf oktober of november, en het vertrek van de eerste wintergasten rond maart.
- Natuurmonumenten — Boomvruchten: kastanjes, eikels en beukennootjes: beukennootjes als belangrijke energiebron voor eekhoorns, mezen, muizen en gaaien om de winter door te komen.
- Vogelskijken.nl — Notenkrakers overspoelen Nederland: wat is er aan de hand? (Chris van Rijswijk, 5 oktober 2026, met waarneming.nl, Dutch Birding en Sovon als bronnen): de tegenvallende naaldboomzaadoogst in Noord- en Oost-Europa als oorzaak, en de eerdere invasiejaren.
Verder op deze site
- Mastjaar in het bos — hoeveel eikels en beukennootjes er vallen, en waarom dat bepaalt wat je ziet. De directe achtergrond bij de keep.
- Tuinvogels voeren — wat er wel en niet in de voedertafel hoort, en waarom de keep in een goed beukenjaar juist niet komt.
- Ganzen kijken in het najaar — de andere grote aankomst van oktober, en welke soort je waar ziet.
- Vogeltrek in september — het stuwingsprincipe, en waarom een dijk meer oplevert dan een weiland.
- Bosvogels herkennen op geluid — de vogels die het hele jaar blijven, als basis onder de wintergasten.
- Uilen horen in het najaar — waarom de muizenpiek na een mastjaar in de uilen terechtkomt.
- Welke specht is dit? — herkenning in hetzelfde bos, in dezelfde maanden.
- Kraanvogeltrek over Nederland — de trek die in dezelfde weken overkomt.
- Wildkalender oktober, november en december — wat er maand voor maand te zien is.
- Verantwoord spotten — afstand, slaapplaatsen en het delen van vindplaatsen.
- Nationaal Park Veluwezoom en de Leuvenumse Bossen — de beukenbossen waar je kepen zoekt.
- Nationaal Park Zuid-Kennemerland — duindoorn, bessen en de kustbaan waarlangs de lijsters trekken.
Laatst gecontroleerd: 17-10-2026
Alle artikelen · Hoe wij aan onze informatie komen
De seizoensmail
Eén keer per maand een korte mail: welke dieren er die maand te zien zijn, in welke gebieden, en wat er die maand net begint of juist ophoudt. Niet vaker, en nooit een advertentie.
Je krijgt eerst een mailtje met een bevestigingslink. Pas als je daarop klikt sta je op de lijst — zo kan niemand jouw adres aanmelden.