Welke specht is dit? Kort en hard is de grote bonte specht, lang en zacht de kleine bonte, lang en oorverdovend de zwarte. Herken alle zes aan roffel en roep.
Er roffelt iets in het bos, en je hebt geen idee wat. Welke specht is dit — en hoe kom je daarachter als je hem niet eens goed ziet? Dat laatste is bij spechten de normale gang van zaken: je hoort ze veel vaker dan je ze ziet. Het goede nieuws is dat je ze aan dat geluid ook kunt thuisbrengen — beter zelfs dan aan hun verenkleed, want een roffel duurt lang genoeg om te tellen en een specht die wegvliegt niet.
Hieronder staan de zes spechten die in Nederland broeden, plus de twee vogels die er het vaakst mee worden verward. Per soort: hoe de roffel klinkt, wat de roep is, hoe je hem ziet en waar hij zit. Met de bron erbij.
Welke specht is dit? Begin bij het geluid
De meeste determinatiegidsen beginnen bij de kleuren. Bij spechten werkt dat slecht. Je ziet ze meestal tegenlicht, hoog in een boom, en meestal maar twee seconden. Wat je wél goed binnenkrijgt is het geluid — dat draagt ver, herhaalt zich, en verschilt per soort veel duidelijker dan het zwart-witpatroon op de rug.
Bovendien roffelen spechten niet om hout te bewerken. Vogelbescherming Nederland zet het kort neer: roffelen is communicatie. Het is de zang van een vogel die niet kan zingen — bedoeld om een territorium af te bakenen en een partner te lokken. Daarom roffelen ze op wat het hardst klinkt: een dode tak, een paal, en soms een regenpijp. Zowel mannetjes als vrouwtjes doen het.
De roffel: waar je op let
Drie dingen bepalen welke soort je hoort: hoe lang de roffel duurt, hoe hard hij is, en of hij aan het eind wegsterft of abrupt stopt.
Als vuistregel: kort en hard is de grote bonte specht. Lang en zacht is de kleine bonte. Lang en oorverdovend is de zwarte specht. En hoor je helemaal geen roffel maar wel een lachend geluid, dan zit je bij de groene specht.
Op de soortpagina’s van deze site staat bij elke soort een opname die je kunt afspelen. Het loont om die vooraf een keer te beluisteren — een roffel op papier beschrijven blijft behelpen, en drie minuten luisteren scheelt in het veld een seizoen aan twijfel.
Grote bonte specht: kort en krachtig
De soort die je in vrijwel elke tuin, elk park en elk bos kunt tegenkomen, en met 97.000 tot 130.000 broedparen (2018-2020) veruit de talrijkste. Volgens Vogelbescherming Nederland neemt hij sinds 1990 nog steeds toe.
De roffel duurt nog geen seconde en bestaat uit zo’n tien tot vijftien slagen. Kort, hard, en abrupt afgelopen. Dit is de roffel waar alle andere zich van onderscheiden — als je er één moet kennen, is het deze.
De roep is een luid, scherp “tsjik”, vaak los en herhaald. Ook dat is een van de nuttigste geluiden om te leren: je hoort het het hele jaar door.
Uiterlijk: 23 tot 26 centimeter, zwart-wit met rode onderstaartdekveren en opvallende witte schoudervlekken in de vlucht. Het mannetje heeft een rode vlek in de nek, het vrouwtje niet. En dan is er de jonge vogel — waarover verderop meer, want daar gaat het bijna altijd mis.
Kleine bonte specht: de naaimachine
Met 14 tot 16 centimeter en een spanwijdte van 26 centimeter is dit de kleinste specht van Europa — ongeveer zo groot als een huismus. Je kijkt er makkelijk overheen, letterlijk: hij zit graag hoog en in dunne takken.
De roffel is het beste kenmerk en het duidelijkste contrast met de grote bonte specht: veel langer en veel zachter. Waar de grote bonte binnen een seconde klaar is, kan die van de kleine bonte tot wel drie seconden doorgaan. Vogelbescherming Nederland vergelijkt het geluid met een naaimachine — een ratelend snorren in plaats van een klap.
De roep is een schel, hoog en snel “kie-kie-kie-kie”, vooral in het voorjaar vanaf maart en opnieuw in de nazomer.
Uiterlijk: zwart-wit met dwarsstrepen over de rug en géén rood onder de staart. Het mannetje heeft een klein rood petje, het vrouwtje helemaal geen rood.
Waar: gemengd en loofbos met zachte houtsoorten — berk, wilg, els, populier — en veel dood hout. Ook in hoogstamboomgaarden. Nederland telt 5.800 tot 7.500 broedparen (2018-2020), een aantal dat toeneemt naarmate bossen ouder worden en er meer dood hout blijft liggen.
Middelste bonte specht: de opkomer
Dit is de soort die het snelst verandert. Sinds 1996 broedt de middelste bonte specht jaarlijks in Nederland, en het gaat hard: 1.900 tot 2.400 broedparen in 2020-2022, met een populatie die groeit en zich westwaarts uitbreidt. Wie tien jaar geleden een gids kocht, heeft verouderde informatie in huis.
De roffel hoor je zelden — hij roffelt weinig en zacht. Zijn territoriumgeluid is een klaaglijk, nasaal gekrijs, “kwèè-kwèè-kwèè”, dat eerder aan een gaai of een roofvogel doet denken dan aan een specht. Dat geluid is uniek onder onze spechten en daarmee het snelste kenmerk dat er is.
Uiterlijk: 22 tot 24 centimeter, spanwijdte 33 tot 34. Let op het gezicht: opvallend wit, met het oog als het ware vrij in dat wit geplaatst. De kruin is volledig rood, de flanken en buik zijn duidelijk gestreept, en de onderbuik heeft een zalmroze waas — de “broek”.
Waar: oud loofbos, en dan vooral oude eiken met grove, ruwe bast, met open plekken ertussen. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland.
De val: een jonge grote bonte specht
Dit is verreweg de meest gemaakte fout, en het is een begrijpelijke. Een jonge grote bonte specht heeft een volledig rode kruin — precies wat je van een middelste bonte specht verwacht. Elk jaar in juni en juli worden er zo tientallen middelste bonte spechten “gezien” die het niet zijn.
Vier dingen halen jullie uit elkaar:
1. De begrenzing van het rood. Bij de jonge grote bonte specht is de rode kruin netjes omrand door een zwarte lijn. Bij de middelste bonte loopt het rood veel losser over de kop.
2. De zijhals. Bij de middelste bonte specht is de lange zwarte streep op de zijhals niet verbonden met het achterhoofd. Daardoor oogt zijn gezicht opener. Bij de grote bonte loopt die streep wél door — het patroon is geslotener.
3. De flanken. De middelste bonte specht is duidelijk gestreept op flanken en buik. Bij de grote bonte is de onderzijde egaal vuilwit.
4. Het formaat. De middelste bonte is merkbaar kleiner. Lastig als je er maar één ziet, doorslaggevend als ze naast elkaar zitten.
En het simpelste van alles: luister. Een middelste bonte specht krijst nasaal; een grote bonte roept “tsjik”.

Zwarte specht: zo groot als een kraai
Van 45 tot 55 centimeter, met een spanwijdte van 64 tot 68. Dat is een heel andere orde dan de rest — je ziet in één oogopslag dat dit geen tuinspecht is.
De roffel is hard, diep en lang aangehouden, en draagt over grote afstand. Wie hem voor het eerst hoort, schat de afstand meestal veel te kort in.
De roep: in de vlucht een luid “kru-kru-kru”; zittend een klaaglijk, langgerekt “kli-èèèhh”. In het voorjaar daarnaast een lachende roep.
Uiterlijk: volledig zwart met een rode kruin. Bij het mannetje is de hele kruin rood, bij het vrouwtje alleen de achterkant. Let ook op de vlucht: recht en klapperend, niet golvend zoals bij de andere spechten. Dat verschil zie je al voordat je kleur onderscheidt.
Waar: uitgestrekte naaldbossen met beukenpartijen, vooral op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Nederland telt 700 tot 1.100 broedparen (2018-2020), met de laatste jaren een lichte afname.
De zwarte specht hakt jaarlijks nieuwe nestholtes, en die holtes worden daarna door tal van andere dieren gebruikt — van bosuilen tot boommarters. Het is een soort die veel meer draagt dan zichzelf. Om precies die reden noemen we op deze site geen broedlocaties: we houden het bij het gebied.
Groene specht: die op de grond
De specht die je het vaakst op een gazon ziet. De groene specht eet vrijwel uitsluitend mieren en zoekt die op de grond; hij kan een mierenhoop stelselmatig afwerken.
De roffel is er nauwelijks — hij roffelt zelden en dan nog zwak. Dat is op zichzelf informatie: hoor je in een gebied een lachend geluid maar nooit een roffel, dan zit je hier goed.
De roep is dat lachen: een lange, hinnikende reeks die als een schaterlach klinkt en ver draagt. Vooral in de late winter en het voorjaar.
Uiterlijk: 30 tot 36 centimeter, groene rug en een opvallend gele stuit die je vooral ziet als hij wegvliegt. Rode kruin bij beide geslachten; het verschil zit in de wangvlek onder het oog — rood bij het mannetje, zwart bij het vrouwtje.
Waar: open loofbos, hoogstamboomgaarden, parken en oude houtwallen. Nederland telt 9.500 tot 11.500 broedparen (2018-2020). De soort groeit al twee decennia gestaag en werd in 2017 van de Rode Lijst gehaald.
Draaihals: de specht die geen specht lijkt
Als je hem ziet, denk je aan een nachtzwaluw of een grote gestreepte zangvogel. Bruin, grijs en zwart dooreen gemarmerd — pure camouflage, zonder een spoor van zwart-wit of rood. En hij zit meestal niet eens tegen een stam: alleen in de broedtijd doet hij dat, de rest van het jaar zit hij vooral op de grond.
Zijn naam dankt hij aan zijn hals, die hij in vreemde bochten kan draaien.
Het geluid is een schel, klaaglijk gekekker in de broedtijd, dat wat op een kleine valk lijkt.
Uiterlijk: 16 tot 17 centimeter, spanwijdte 34.
Status: hier moet je realistisch zijn. De draaihals staat als ernstig bedreigd op de Rode Lijst, met 180 tot 230 broedparen (2025). Hij overwintert in Afrika en is pas vanaf half april tot begin mei terug. De beste kans om er een te zien heb je niet in de broedtijd maar tijdens de trek: in augustus en september, in open duinterrein.
De twee die geen specht zijn
Twee vogels klimmen ook tegen stammen omhoog en worden daarom voortdurend voor spechten aangezien. Ze zijn allebei aan hun manier van bewegen te herkennen, nog voordat je kleur ziet.
De boomklever is de enige van de drie groepen die een stam ook omláág kan lopen, met de kop naar beneden. Hij schuifelt alle kanten op en lijkt aan de bast te plakken. Blauwgrijs van boven, roestoranje van onderen, met een zwarte oogstreep — verreweg de kleurigste van het gezelschap.
De boomkruiper doet iets heel anders: hij hipt spiraalsgewijs omhoog tegen de stam, en als hij bovenaan is vliegt hij naar de voet van de volgende boom om daar opnieuw te beginnen. Bruin-wit, met een dun gebogen snaveltje. Zie je die spiraal, dan hoef je verder niet te twijfelen.
Een ezelsbruggetje van Onze Natuur dat blijft hangen: de boomklever heeft kleur, in boomkruiper zit bruin.

Wanneer roffelen ze?
Het roffelseizoen loopt van de late winter tot in het voorjaar, met het zwaartepunt van februari tot en met april. Dan bakenen ze territoria af en zoeken ze een partner, en dan zijn de bossen bovendien nog kaal — je hoort ze niet alleen beter, je ziét ze ook.
Voor de meeste soorten is dat het beste moment van het jaar. Uitzonderingen: de draaihals zie je juist in augustus en september tijdens de trek, en de groene specht hoor je vooral in de late winter, wanneer zijn lach het verst draagt.
Oktober en november zijn een tweede goed moment. Er wordt dan weinig geroffeld, maar het blad is gevallen en spechten worden ineens zichtbaar op takken waar ze de hele zomer verscholen zaten.
Waar je moet zijn
Spechten hebben één ding nodig dat in een netjes onderhouden bos ontbreekt: dood hout. Staande dode bomen, afgestorven takken, oude stammen die blijven liggen. Daar zitten de insecten, en daar is het hout zacht genoeg om een holte in te hakken.
Zoek dus geen aangeharkt productiebos maar oud, gevarieerd bos waar rommel mag blijven liggen. De Leuvenumse Bossen, het Deelerwoud en Kroondomein Het Loo zijn daar goede voorbeelden van: oude bomen, veel dood hout, en alle zes de soorten binnen bereik.
Voor de middelste bonte specht geldt een specifiekere eis: oude eiken met grove bast. Voor de zwarte specht juist grote naaldbossen met beuken ertussen. En voor de groene specht een open plek met mierenhopen — een bosrand, een heideveldje, of gewoon een gazon.
Hoe je er een vindt
Ga vroeg. Het eerste uur na zonsopgang is de drukste periode, en in februari en maart betekent dat een aangenaam laat uur.
Loop langzaam en stop vaak. Spechten verraden zich met geluid, niet met beweging, en geluid mis je als je loopt. Vijf minuten stilstaan levert meer op dan vijfhonderd meter doorlopen.
Hoor je iets, blijf dan staan en wacht af waar het vandaan komt in plaats van er meteen op af te lopen. Een roffel wordt vaak herhaald; de tweede en derde keer kun je de richting veel beter bepalen.
Kijk omhoog langs stammen, maar vergeet de grond niet — voor groene specht en draaihals is dat juist waar ze zitten.
Praktisch
Beste periode: februari tot en met april voor de roffel; oktober en november voor het zicht. Draaihals: augustus en september.
Beste tijdstip: het eerste uur na zonsopgang.
Meenemen: een verrekijker is genoeg. Wie fotografeert heeft aan 300 mm weinig — spechten zitten hoog, reken op 400 mm of meer.
Vooraf doen: de opnames beluisteren op de soortpagina’s. Dit is bij uitstek een groep waar geluid het werk doet.
Niet doen: geluid afspelen in het veld om een specht te lokken. In de broedtijd kost dat het dier energie en kan het een territorium verstoren. Meer daarover op verantwoord spotten.
Veelgestelde vragen
Welke specht roffelt er in mijn tuin?
Vrijwel zeker de grote bonte specht. Dat is met 97.000 tot 130.000 broedparen de talrijkste soort en de enige die je regelmatig in tuinen en parken aantreft. Zijn roffel duurt nog geen seconde en bestaat uit tien tot vijftien slagen.
Waarom roffelt een specht?
Niet om hout te bewerken, maar om te communiceren. Het is de zang van een vogel die niet kan zingen: er wordt een territorium mee afgebakend en een partner mee gelokt. Daarom kiezen ze wat het hardst klinkt — een dode tak, een paal, soms een regenpijp. Zowel mannetjes als vrouwtjes roffelen.
Hoe hoor je het verschil tussen een grote en een kleine bonte specht?
Aan de lengte en de hardheid. De grote bonte specht roffelt kort en hard, binnen een seconde afgelopen. De kleine bonte specht roffelt langer — tot wel drie seconden — en veel zachter, meer als een naaimachine dan als een klap.
Ik zie een specht met een helemaal rode kruin. Is dat een middelste bonte specht?
Waarschijnlijk niet. Een jonge grote bonte specht heeft óók een volledig rode kruin, en dat is veel gewoner. Let op de zwarte omranding van het rood (die heeft de jonge grote bonte wél), op de zwarte streep op de zijhals (bij de middelste bonte niet verbonden met het achterhoofd) en op de gestreepte flanken van de middelste bonte.
Welke specht lacht?
De groene specht. Zijn roep is een lange, hinnikende reeks die als schaterlachen klinkt en ver draagt, vooral in de late winter en het voorjaar. Roffelen doet hij nauwelijks.
Hoeveel soorten spechten zijn er in Nederland?
Zes broedende soorten: grote bonte specht, kleine bonte specht, middelste bonte specht, zwarte specht, groene specht en draaihals. De draaihals is met 180 tot 230 broedparen (2025) veruit de zeldzaamste en staat als ernstig bedreigd op de Rode Lijst.
Is een boomklever een specht?
Nee. De boomklever en de boomkruiper klimmen wel tegen stammen omhoog, maar horen tot heel andere families. De boomklever is de enige die een stam ook omláág kan lopen; de boomkruiper hipt spiraalsgewijs omhoog en begint dan onderaan de volgende boom opnieuw.
Wanneer kun je spechten het best zien?
Februari tot en met april: dan roffelen ze het meest en zijn de bomen nog kaal. Oktober en november zijn een goede tweede periode — weinig geluid, maar door het gevallen blad veel beter zicht.
Wat heeft een specht nodig in een bos?
Dood hout. Staande dode bomen en afgestorven takken leveren zowel het voedsel als het zachte hout om een nestholte in te hakken. Bossen waar dood hout blijft staan, hebben meer spechten — de toename van de kleine bonte specht wordt daaraan toegeschreven.
Verder lezen bij de bron
- Vogelbescherming Nederland — Spechten roffelen en giechelen: waarom spechten roffelen en hoe de roffel per soort klinkt.
- Vogelbescherming Nederland — Grote bonte vs. middelste bonte specht: de kenmerken waarmee je de jonge grote bonte specht van de middelste bonte onderscheidt.
- Vogelbescherming Nederland — Grote bonte specht: formaat, geluid en 97.000-130.000 broedparen (2018-2020).
- Vogelbescherming Nederland — Kleine bonte specht: 14-16 cm, de naaimachine-roffel en 5.800-7.500 broedparen.
- Vogelbescherming Nederland — Middelste bonte specht: het witte gezicht, het nasale gekrijs en 1.900-2.400 broedparen (2020-2022).
- Vogelbescherming Nederland — Zwarte specht: 45-55 cm, de rechte vlucht en 700-1.100 broedparen.
- Vogelbescherming Nederland — Groene specht: mieren, de lachende roep en 9.500-11.500 broedparen.
- Vogelbescherming Nederland — Draaihals: 180-230 broedparen (2025), ernstig bedreigd, en de trek in augustus en september.
- Vogelbescherming Nederland — Boomklever of boomkruiper: lopen versus hippen.
- Nature Today — De roffel van de grote bonte specht: tien tot vijftien slagen in minder dan een seconde, tegenover drie seconden bij de kleine bonte.
- Onze Natuur — Welke specht roffelt daar?: roffel en roep per soort naast elkaar gezet.
Verder op deze site
- Grote bonte specht, kleine bonte specht en middelste bonte specht — met opnames van roffel en roep.
- Zwarte specht, groene specht en draaihals — de overige drie soorten.
- Boomklever en boomkruiper — de twee klimmers die geen specht zijn.
- Leuvenumse Bossen en Deelerwoud — oud bos met veel dood hout.
- Verantwoord spotten — waarom je in de broedtijd geen geluid afspeelt.
- Wildkalender — wat er per maand te zien is.
Laatst gecontroleerd: 21-08-2026