Tuinvogels voeren mag het hele jaar door — Vogelbescherming Nederland is daar ondubbelzinnig over — maar niet alles wat in de winkel ligt is geschikt, en de plek waar je het neerlegt doet meer dan het voer zelf. Dit artikel zet op een rij wat wel en niet mag, waarom het netje van een vetbol eraf hoort, hoe je de voederplek schoonhoudt (het deel dat bijna niemand opschrijft, en het enige verweer tegen het geel), welke tuinvogels en wintergasten je per seizoen kunt verwachten, en waar het voeren ophoudt: bij zoogdieren in het veld, en bij lokken voor de foto.
Er staat ergens in je tuin of op je balkon een silo met zonnebloemkernen, of je denkt erover om er een te hangen. En dan komt de vraag die bijna iedereen stelt en die bijna niemand beantwoordt: mag dit eigenlijk wel? Help je ze, of maak je ze juist afhankelijk? Tuinvogels voeren — vogels voeren in de tuin, in gewoon Nederlands — is het meest alledaagse stukje natuurbeheer van het land, en tegelijk het onderdeel waarover de meeste onzin circuleert.
Het korte antwoord: ja, het kan, en het hele jaar door. Maar niet alles wat in de winkel ligt is geschikt, de plek waar je het neerlegt doet meer dan het voer zelf, en het belangrijkste onderdeel van het hele verhaal is iets waar vrijwel geen enkele voerpagina over schrijft: schoonhouden. Hieronder staat wat werkt, wat niet werkt, waar het ophoudt, en welke vogels je in welk seizoen kunt verwachten.
Mag je tuinvogels voeren? Ja — en dat is een verandering
Vogelbescherming Nederland is hier ondubbelzinnig over. Op de pagina over wanneer je wat voert staat het in vijf woorden: “Tuinvogels kunnen het hele jaar bijgevoerd worden.” In het officiële standpunt over voeren staat dat de organisatie positief staat tegenover “met mate bijvoeren van (tuin)vogels, buiten en in de broedtijd”, en dat voeren een laagdrempelige vorm van natuurbeleving is.
Dat is een verschuiving ten opzichte van wat veel mensen hebben meegekregen. Traditioneel werd er in de winter gevoerd en daarbuiten niet; inmiddels voeren mensen het hele jaar, en dat wordt niet afgeraden. Wat wél wordt afgeraden is overdaad. Overmatig voeren geeft bevuiling en ongedierte, en vogels kunnen op een voerplaats ziek worden. Daarom noemt Vogelbescherming hygiënisch voeren “van het grootste belang”.
En er staat een voorwaarde bij die makkelijk over het hoofd wordt gezien: de silo is het sluitstuk, niet het begin. De organisatie roept op de tuin zelf in te richten “met inheemse, biologische planten, struiken en bomen”, zodat tuinvogels er natuurlijk voedsel vinden. Een tuin met één silo en verder tegels blijft een tuin met één silo; een tuin met een meidoorn, een klimop en een hoek die niet is aangeharkt is een tuin waar vogels zelf iets te zoeken hebben.
De huismus is na 23 jaar niet meer de nummer één
Op 1 februari 2026 maakte Vogelbescherming de uitslag van de Nationale Tuinvogeltelling bekend, en die leverde een primeur op. De koolmees nam de eerste plaats over van de huismus, die daar 23 jaar achter elkaar had gestaan. Ruim 136.000 mensen deden mee en telden samen ongeveer 1,9 miljoen vogels.
De huismus werd 9 procent minder gezien dan het jaar ervoor: in minder tuinen, en in kleinere groepjes. Vogelbescherming is voorzichtig met de verklaring — de precieze oorzaak van die daling moet nader worden onderzocht — maar wijst wel op de inrichting van tuinen en openbare ruimte. Timo Roeke van Vogelbescherming vat het in één zin samen: “Veel steen, weinig of exotische planten. Daar kan een huismus niet van leven.”
Eén jaar telling is geen trend, en de langere reeks is minder eenduidig dan dat ene cijfer. De huismus staat op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels en is sinds de jaren tachtig landelijk met meer dan vijftig procent achteruitgegaan. Maar Sovon geeft twee trendkwalificaties naast elkaar: vanaf 1990 een significante afname van minder dan vijf procent per jaar, en over de laatste twaalf jaar een significante toename van minder dan vijf procent per jaar. De mus kruipt dus omhoog vanaf een laag niveau. Dat maakt het verlies niet goed, maar “gaat achteruit” is als beschrijving van dit moment te somber — en een trend zonder periode erbij zegt weinig.
Twee andere tuinvogels deden het in dezelfde telling juist beter: de pimpelmees werd in 9 procent meer tuinen gezien, de spreeuw in 10 procent meer tuinen en in groepen die 5 procent groter waren.
Worden tuinvogels afhankelijk van een volle silo?
Dit is de vraag waar het meestal op vastloopt, en het antwoord is beter onderzocht dan je zou denken. Bijgevoerd voedsel vormt gemiddeld ongeveer twintig procent van het menu van een tuinvogel. Vogels raken er niet zo aan verwend dat ze zich niet meer zelf kunnen redden: de resterende tachtig procent zoeken ze gewoon zelf. Vroege Vogels (BNNVARA) schrijft dat expliciet op, op basis van Vogelbescherming.
Dat betekent niet dat afhankelijkheid nooit een thema is. In de foto- en videocode van Vroege Vogels staat een voorwaardelijke regel die precies het juiste onderscheid maakt. Voer aanbieden kan: “Aanbod van voedsel of drinkwater kan, indien correct toegepast, een positieve methode zijn”. Maar wórden dieren voor hun overleving van dat voer afhankelijk, bijvoorbeeld bij wintervoedering, dan “dient men dit uiteraard ook vol te houden na het maken van de gewenste opnamen, tot deze tussenkomst opnieuw overbodig wordt”.
Die twee uitspraken spreken elkaar niet tegen; ze gaan over verschillende situaties. Een koolmees aan een silo in een gewone tuin vult twintig procent van zijn menu aan en redt zich verder zelf. Een vogel die in een langdurige vorstperiode in een kaal landschap volledig op jouw vetbol teert, zit in een andere situatie. De vuistregel die daaruit volgt is bescheiden: begin niet met voeren in een week waarin je het daarna niet kunt bijhouden, en zet in een vorstperiode liever elke dag iets minder neer dan één keer heel veel.
Wanneer je voert: het hele jaar kan, maar het voer verandert
Er is geen startdatum en geen stopdatum. Wat wél verandert, is waar tuinvogels doorheen het jaar behoefte aan hebben — en dat is het verschil tussen nuttig voeren en voeren omdat de zak nog niet leeg is.
Najaar. Vogels schuiven naar de bebouwing en eten bessen uit tuinstruiken. Vetbollen, pinda’s en een halve rotte appel werken goed; wie nu begint heeft binnen een paar weken vaste klanten voor de winter.
Winter. Energierijk: zaadmengsel, fruit, vetbollen, pinda’s. Bij lichte vorst zet je vers drinkwater buiten; bij strenge vorst juist géén open warm water.
Voorjaar en zomer. Nu kantelt het. “In het voorjaar en de zomer hebben vogels vooral dierlijke eiwitten nodig”, schrijft Vogelbescherming — eiwit voor de jongen, kalk voor de eieren, en dat halen tuinvogels vooral uit insecten, rupsen en wormen. Meelwormen bijleggen kan, en fijngestampte, goed doorgekookte eierschaal voor de kalk; melk nooit. In de zomer is een ondiepe schaal vers water waardevoller dan voer.
Wat je geeft, en wat je beter laat staan
Vogelbescherming houdt een vrij korte lijst aan, en die is bruikbaarder dan de schappen in de dierenwinkel suggereren.
Wat wel
- Biologisch vogelvoer dat speciaal voor tuinvogels is gemaakt.
- Strooivoer op een voedertafel of op de grond.
- Silovoer — maar dan ook echt in een silo.
- Fruit.
- Pinda’s. De regel is één zin lang en hij is strikt: “Ongebrande (en ongezouten) pinda’s altijd in pindasilo’s”.
- Vetproducten, met een praktische beperking erbij: “Vetproducten voor tuinvogels (echter niet in de zon hangen)”.
- Vogelpindakaas.
- Meelwormen, vers of gevriesdroogd. Vooral voor de roodborst, de pimpelmees, de boomkruiper en de winterkoning. Laat geen dode wormen liggen.
Wat niet
- Brood en al het andere met zout erin. “Geen producten met zout, zoals brood”. Dit is de meest gemaakte fout, en hij is niet onschuldig.
- Melk.
- Boter en margarine. “Geen boter of margarine, dit werkt laxerend”.
- Gekookte etensresten. “Geen gekookte etensresten. Ze bederven namelijk snel”.
- Te veel. “Niet overmatig voeren, dit kan ongedierte aantrekken en zorgt voor de verspreiding van ziektes”.
- Beschimmeld vet. Over vetbollen en vogelpindakaas in zacht, nat weer: “Haal ze weg als er schimmel op staat”.

Het netje is gevaarlijker dan het vet
Dit is het enige punt in dit artikel waar een vogel ter plekke aan doodgaat, en het staat op bijna geen enkele verpakking. Vetbollen en pinda’s worden standaard verkocht in een plastic netje. Dat netje hoort eraf. Vogelbescherming formuleert het zonder omhaal: “Geen vetbollen of pinda’s in een (plastic) netje, vogels kunnen erin verstrikt raken”. Een mees die met een teen achter het nylon blijft hangen, komt niet meer los.
Een vetbol hoort in een metalen vetbollenkooi, pinda’s in een pindasilo. Die kooi heeft een tweede voordeel dat je er gratis bij krijgt: duiven, kraaien en meeuwen hebben moeite met silo’s en kooien. Zet je het voer in een kooi waar grote vogels niet in kunnen, dan komen de kleine tuinvogels wél aan de bak — en dat is precies waar de gemiddelde voederplek op vastloopt.

Hygiëne: het deel dat bijna niemand opschrijft
Een voederplek brengt tuinvogels bij elkaar in een dichtheid die ze in het veld nooit halen. Dat is precies de reden dat er iets te zien valt, en precies de reden dat je het schoon moet houden. Vogelbescherming publiceerde hier op 10 december 2025 zes concrete punten over (Jeanet van Zoelen), alle zes in vijf minuten per week te doen.
- Doseer. Leg neer wat er voor de avond opgaat, zodat er ’s nachts niets blijft liggen. Nat voer dat lang blijft staan wordt onhygiënisch.
- Maak regelmatig schoon. Veeg of schud voederhuisjes, tafels en silo’s uit. Een silo houdt zaad dróóg, maar regen en wind komen er alsnog in; klonterend zaad gooi je weg. Veel silo’s mogen in de vaatwasser.
- Verschoon het water. Minstens één keer per week. Dat voorkomt bovendien dat tijgermuggen zich in de schaal voortplanten.
- Desinfecteer af en toe. Overgiet voer- en waterplekken zo nu en dan met kokend water.
- Let op vetproducten. Die bederven sneller in zacht, nat weer. Je ziet het aan een vieze geur, een zwart of wit laagje, of zaden die beginnen te ontspruiten. Dan meteen weghalen.
- Verplaats de voedertafel. Af en toe ergens anders zetten, zodat ziekteverwekkers zich niet op één plek opbouwen.
Daar komen de muizen en ratten bij. Die worden een plaag als er ’s nachts voer blijft liggen of als ze bij je voorraad kunnen. Bewaar vogelvoer in een metalen bus, haal het voer ’s nachts van de grond, en zet een opvangschaal onder de silo.
Ziekte op de voederplek: het geel, en wat je dan doet
De belangrijkste ziekte rond Nederlandse voederplekken is trichomonose, in de volksmond het geel, veroorzaakt door de parasiet Trichomonas gallinae. Roy Slaterus en Margriet Montizaan beschreven de Nederlandse situatie in De Levende Natuur van maart 2024.
De parasiet veroorzaakt gelige woekeringen en knobbels in de bekholte. Die maken eten moeilijk en zwakken de vogel af; bij zware woekeringen wordt ook de ademhaling moeilijk, en organen als de lever kunnen worden aangetast. Niet elke besmette vogel vertoont die woekeringen. Drie dingen uit dat artikel stellen het gangbare beeld bij.
- Het is in Nederland vooral een probleem van de groenling. In Groot-Brittannië veroorzaakte het massale sterfte onder groenlingen én vinken; in Nederland lijkt de vink er tot nu toe weinig door getroffen. De auteurs zetten daar wel de vraag bij hoe lang dat zo blijft.
- De piek ligt in voorjaar en zomer, niet in de winter. Dat is contra-intuïtief: juist in de maanden dat mensen denken dat voeren “niet nodig” is, is de hygiëne het belangrijkst. Zowel jonge als volwassen vogels worden getroffen.
- Voederplekken in tuinen zijn waar je het ziet — deels omdat zieke vogels daar opvallen, deels omdat het besmettingsrisico er waarschijnlijk hoger is, doordat de ziekte zich verspreidt via contact tussen vogels en via besmet voer en drinkwater.
Het advies van de auteurs is kort: voer- en drinkbakken dagelijks schoonmaken en goed drógen, ze verplaatsen, en bij zieke vogels tijdelijk stoppen met voeren. Vogelbescherming geeft daar een termijn bij: zie je zieke of dode tuinvogels, stop dan minimaal twee weken helemaal met voeren en haal het voer weg. Een zieke vogel is bol en mat, gedraagt zich opvallend tam en heeft vaak een vieze snavel. Laat hem met rust — hij is slecht te vangen, en de dierenambulance neemt hem vanwege besmettingsgevaar mogelijk niet mee. Zie je meerdere zieke of dode vogels, meld dat dan bij het Dutch Wildlife Health Centre.
Over vogelgriep tot slot, precies zo voorzichtig als de bron: in december 2025 schreef Vogelbescherming dat er bij tuinvogels nog géén gevallen bekend zijn, maar dat het waarschijnlijk een kwestie van tijd is. Eén regel is daar wel onvoorwaardelijk: grenst je tuin aan water, voer dan geen watervogels — geen ganzen, zwanen, eenden of meeuwen — en raak zieke of dode vogels niet aan.
Waar je het neerzet, en waarom één plek niet werkt
De meest voorkomende inrichtingsfout is niet het voer maar de concentratie: alles op één punt. Vogelbescherming adviseert spreiden over verschillende plekken en vormen — open op de grond, onder een heg, op een voedertafel, in een zaadsilo en hangend als vetbol. Tuinvogels hebben uiteenlopende voorkeuren: een merel die op de grond scharrelt en een pimpelmees die ondersteboven aan een vetbol hangt, gebruiken niet dezelfde plek.
Twee aanvullingen voor de winter. Ligt er sneeuw, maak dan een plekje grond sneeuwvrij: de roodborst en de heggenmus zoeken daar kleine bodemdiertjes. En laat gevallen blad in de borders liggen, met groenblijvende struiken of klimop als schuil- en slaapplek — daar zoekt de merel zijn kost.
Voor water geldt: een platte, brede schaal om te drinken en te baden, en elke dag schoonmaken. Bij gebrek aan open water eten vogels sneeuw of rijp. Je kunt een paar keer per dag lauw water neerzetten, maar nooit zout of suiker toevoegen. Maak géén wakken in het ijs — dat is niet nodig en verstoort het leven onder water.
Eén neveneffect hoort erbij: een voorspelbare concentratie kleine tuinvogels trekt een sperwer. Dat is geen teken dat je iets verkeerd doet — het is hetzelfde mechanisme als bij een spreeuwenwolk, en de reden om de silo bij dekking te zetten in plaats van midden op het gazon.
Welke tuinvogels je kunt verwachten
Deze tuinvogels komen in bijna elke Nederlandse tuin met voer, al verschilt de samenstelling per streek en per tuin.
- Huismus — in groepjes, in dichte heggen, de hele dag. 14 tot 16 centimeter. Het mannetje heeft een grijze pet met kastanjebruine zijkanten en een zwarte bef, het vrouwtje is egaal lichtbruin met een duidelijke wenkbrauwstreep achter het oog. Er broeden 600.000 tot 1.000.000 paren in Nederland (2018–2020); in de winter zitten er 2 tot 3 miljoen.
- Koolmees en pimpelmees — de vaste klanten van silo en vetbol, drukst van oktober tot maart.
- Roodborst — nieuwsgierig en bijna tam, op de grond en bij meelwormen.
- Merel — op het gazon en in het gevallen blad; fruit en halve appels.
- Vink en groenling — zaadeters met een zware kegelsnavel; de groenling domineert graag de silo. Dit zijn ook de twee soorten waar je op het geel let.
- Heggenmus en winterkoning — klein en onopvallend, allebei op de grond en bij meelwormen.
- Spreeuw — in groepen, en in de telling van 2026 duidelijk talrijker dan het jaar ervoor.
- Grote bonte specht — hangt aan vetbollen en pindasilo’s. Welke specht je precies hebt, staat in Welke specht is dit?
- Gaai — in tuinen aan de bosrand, in het najaar vooral bezig met zijn eikelvoorraad.

Tuinen tegen oud loofbos krijgen er tuinvogels bij die je verder zelden ziet: de boomklever, de boomkruiper, de glanskop en de matkop. Die hoor je eerder dan je ze ziet; bosvogels herkennen op geluid helpt daarbij. En een eekhoorn die de pindasilo heeft gevonden is geen probleem, wel een rem op je voorraad.
De wintergasten die bij kou naar de tuin schuiven
Bij vorst, sneeuw of een lege bessenoogst schuiven vogels die normaal in bos en veld zitten de bebouwing in, en dan staat er plotseling iets anders bij de silo dan de vaste tuinvogels. Dat is het moment waarop een tuin interessanter wordt dan een natuurgebied.
- Keep — leeft normaal van beukennootjes, en die liggen er dit jaar. De mastopname van de Veluwe van 13 oktober 2026 komt uit op naar schatting 1,3 miljoen kilo beukennootjes, het veertiende jaar op rij met een beukenoogst. De kans dat de keep jouw voedertafel nodig heeft is daarmee kleiner dan in een mager beukenjaar — zoek hem dit najaar eerder op de bosbodem onder een oude beuk. Is de beukenoogst wél mager, dan verschijnt hij op de grond onder de voedertafel, tussen de vinken. Hoe die oogst werkt staat in het artikel over het mastjaar.
- Sijs — hangt in een berk of aan een els, en gaat bij strenge kou ook op de silo af.
- Kramsvogel en koperwiek — die komen niet voor zaad maar voor vrucht: lijsterbes, meidoorn, een rotte appel op het gazon. In de telling van 2026 ging de kramsvogel van 868 naar 7.759 exemplaren — precies de uitschieter die bij een strenge week hoort.
- Appelvink — zeldzamer, maar bij zonnebloemkernen een reële kans; let op de enorme snavel.
Welke soorten er deze winter binnenkomen, en waarom hun aantallen per jaar zo verschillen, staat in Wintergasten uit het noorden. En wie een zanglijster en een koperwiek door elkaar haalt: de koperwiek heeft een roomwitte wenkbrauwstreep.
Waar het voeren ophoudt: het veld en de foto
Alles hierboven gaat over je eigen tuin. Buiten die tuin gelden andere regels, en het onderscheid is niet willekeurig: het zit niet in het voer, maar in waar het dier aan went. Een koolmees aan een voederplank leert dat er op die plek eten hangt; zijn houding tegenover mensen verandert niet. Een vos, wild zwijn of wolf die eten van een mens krijgt, leert dat mensen eten betekenen, en gaat mensen opzoeken in plaats van mijden. Dat loopt slecht af voor het dier. De landelijke interventierichtlijnen bij het Wolvenplan 2025 zeggen het in zes woorden: “Niet lokken en voeren. Oppassen voor gewenning.” De escalatieladder die daarop volgt eindigt bij een vergunningstraject om een probleemwolf uit de populatie te verwijderen.
Dus: zoogdieren in het veld voer je niet, watervogels in de stad voer je niet, en lokken voor de foto doe je nooit. De Gouden Regels van de Vroege Vogels-code zijn daarover één regel lang: “Bied geen voedsel aan speciaal voor de foto.” Vogelbescherming formuleert in haar eigen fotografierichtlijn dezelfde maatstaf: “Voeren: met mate en hygiënisch.”
Drie vragen lossen vrijwel elk twijfelgeval op. Went het dier aan een plek of aan mensen? Gebeurt het bij jou thuis of in het veld? En doe je het voor het dier of voor je foto? Daarover meer op Verantwoord spotten. Eén praktisch gevolg: maak je een foto bij je eigen voederplek, zet dan in het bijschrift dát het een voederplek is. Dat is geen schuldbekentenis maar informatie.
Van voederplek naar waarneming
Een voederplek is de goedkoopste vogelkijkhut van Nederland, en wat je daar ziet is bruikbaar. Wat er in een gewone tuin zit, is precies het soort gegeven dat in landelijke tellingen ontbreekt: doorgeven op Waarneming.nl kost een minuut per soort.
En doe mee met de Nationale Tuinvogeltelling, het grootste burgeronderzoek van het land — in 2026 ruim 136.000 deelnemers en ongeveer 1,9 miljoen getelde vogels. Je kijkt een halfuur uit het raam en noteert het hoogste aantal per soort dat je gelijktijdig ziet. Vogelbescherming noemt als volgende editie vrijdag 29 tot en met zondag 31 januari; de pagina zet er geen jaartal bij, dus controleer dat kort voor de telling nog even. Het is het laatste weekend van januari, en dat is ook de periode waarin je voederplek het drukst is.
Wie daarna doorwil: de wildkalender van november, december en januari laten zien wat er in dezelfde weken buiten de tuin gebeurt.

Veelgestelde vragen
Mag je tuinvogels het hele jaar voeren?
Ja. Vogels voeren in de tuin kan jaarrond; Vogelbescherming Nederland schrijft letterlijk: “Tuinvogels kunnen het hele jaar bijgevoerd worden.” Wat verandert is niet óf je voert maar wát je geeft: vetrijk in het winterhalfjaar, dierlijk eiwit en kalk in de broedtijd, en in de zomer vooral water. De voorwaarde is hygiëne, en die geldt in de zomer sterker dan in de winter.
Worden tuinvogels afhankelijk als ik voer?
Nee, niet in een gewone tuin. Bijgevoerd voedsel is gemiddeld ongeveer twintig procent van het menu; de rest zoeken ze zelf. Alleen in een langdurige vorstperiode kan een vogel echt op jouw voer leunen, en dan is doorgaan tot het vriezen ophoudt een redelijk uitgangspunt — zo staat het ook in de foto- en videocode van Vroege Vogels.
Waarom mag brood niet?
Om het zout: “Geen producten met zout, zoals brood”. Datzelfde bezwaar geldt voor gekookte etensresten, die bovendien snel bederven, en voor boter en margarine, die laxerend werken.
Moet het netje van een vetbol eraf?
Ja, altijd. “Geen vetbollen of pinda’s in een (plastic) netje, vogels kunnen erin verstrikt raken”. Gebruik een metalen vetbollenkooi; pinda’s gaan in een pindasilo.
Hoe vaak moet ik de voederplek schoonmaken?
De waterschaal dagelijks, het water minstens één keer per week verversen, en voederhuisjes en silo’s regelmatig uitvegen of uitschudden — veel silo’s mogen in de vaatwasser. Af en toe overgieten met kokend water, en de voedertafel af en toe verplaatsen zodat ziekteverwekkers zich niet op één plek opbouwen. Bij trichomonose is het advies strenger: dagelijks schoonmaken én goed drogen.
Wat doe ik als er een zieke vogel bij de silo zit?
Stop minimaal twee weken helemaal met voeren en haal het voer weg. Een zieke vogel is bol, mat en opvallend tam, vaak met een vieze snavel. Laat hem met rust. Zie je meerdere zieke of dode vogels, meld dat dan bij het Dutch Wildlife Health Centre.
Welke van de tuinvogels komt het vaakst voor?
Sinds de Nationale Tuinvogeltelling van 2026 is dat de koolmees, die de eerste plaats overnam van de huismus na 23 jaar; de huismus werd dat jaar 9 procent minder gezien. Of voeren de huismus vooruit helpt, is niet aangetoond — Vogelbescherming houdt het erop dat de oorzaak van de daling nader onderzocht moet worden, en wijst op de inrichting van tuinen en openbare ruimte. Voer is dus geen vervanging voor een tuin waarin iets te vinden is, maar een aanvulling erop.
Verder lezen bij de bron
- Vogelbescherming Nederland — Wanneer voer je wat? — het hele jaar voeren, en per seizoen wat.
- Vogelbescherming Nederland — Wat is goed voer? — de wel- en niet-lijst, inclusief het netje.
- Vogelbescherming Nederland — Hoe voer je vogels? — plaatsing, spreiden en de waterschaal.
- Vogelbescherming Nederland — Hygiënisch vogels bijvoeren: 6 tips (Jeanet van Zoelen, 10 december 2025).
- Vogelbescherming Nederland — Zieke vogel in de tuin? Dit kun je doen (27 mei 2026) — de termijn van minimaal twee weken, en waaraan je een zieke vogel herkent.
- Vogelbescherming Nederland — Standpunt Vogels voeren — waarom voeren met mate wordt aangeraden.
- Vogelbescherming Nederland — Veelgestelde vragen wintervogels — vorst, water, wakken en zieke vogels.
- Vogelbescherming Nederland — Nationale Tuinvogeltelling 2026: huismus verliest koppositie aan koolmees (1 februari 2026).
- Vogelbescherming Nederland — Nationale Tuinvogeltelling — deelnemersaantal en de volgende data.
- Vogelbescherming Nederland — Vogelgids: huismus — aantallen, Rode Lijst, herkenning en oorzaken van de achteruitgang.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland — trendgegevens huismus — de twee trendkwalificaties met hun periodes.
- Roy Slaterus & Margriet Montizaan — Het geel treft wilde vogels (De Levende Natuur 125-2, maart 2024, via Sovon).
- Nature Today / De Natuurkalender — 14de jaar op rij beukennootjes, en het zijn er veel (Arnold van Vliet, Wageningen University & Research, en Gerrit Jan Spek, Faunabeheereenheid Gelderland, 13 oktober 2026) — 2,8 miljoen kilo tegen een gemiddelde van 4,7 miljoen, waarvan 1,3 miljoen kilo beukennootjes.
- Vroege Vogels (BNNVARA) — Vogels voeren in de winter — de twintig procent, en waarom vogels niet afhankelijk worden.
- Vroege Vogels (BNNVARA) — Foto- en videocode — voer aanbieden, volhouden, en niet lokken voor de foto.
- Dutch Wildlife Health Centre — waar je zieke of dode wilde vogels meldt.
Verder op deze site
- Wintergasten uit het noorden — welke vogels in oktober en november binnenvallen, en waarom hun aantallen per jaar verschillen.
- Mastjaar: eikels en beukennootjes — waarom de keep in sommige winters wél en in andere niet in je tuin staat.
- Verantwoord spotten — waar voeren ophoudt, en de drie vragen die de twijfelgevallen oplossen.
- Bosvogels herkennen op geluid — voor de soorten die je in een bostuin eerder hoort dan ziet.
- Welke specht is dit? — herkenning op roffel en roep, voor de specht aan je vetbol.
- Spreeuwenwolk zien in Nederland — waarom een voorspelbare groep kleine vogels een roofvogel aantrekt.
- Soortpagina’s van de vaste gasten: huismus, koolmees, pimpelmees, roodborst, merel, vink, groenling, heggenmus, winterkoning, spreeuw, grote bonte specht en gaai.
- En van de bosrandsoorten: boomklever, boomkruiper, glanskop en matkop.
- De wintergasten die kunnen aanschuiven: keep, sijs, kramsvogel, koperwiek, zanglijster en appelvink.
- Sperwer en eekhoorn — de twee ongenode gasten bij een goed lopende voederplek.
- Wildkalender oktober, november, december en januari — wat er in dezelfde weken buiten de tuin gebeurt.
- Vogeltrek in september — hoe het seizoen begon dat nu in je tuin uitkomt.
Laatst gecontroleerd: 17-10-2026
Alle artikelen · Hoe wij aan onze informatie komen
De seizoensmail
Eén keer per maand een korte mail: welke dieren er die maand te zien zijn, in welke gebieden, en wat er die maand net begint of juist ophoudt. Niet vaker, en nooit een advertentie.
Je krijgt eerst een mailtje met een bevestigingslink. Pas als je daarop klikt sta je op de lijst — zo kan niemand jouw adres aanmelden.