Voor de meeste ganzen die je hier in de winter ziet is Nederland geen tussenstop maar de bestemming: ze komen uit Arctisch Rusland, Siberie, Spitsbergen, Nova Zembla en Scandinavie en blijven tot het voorjaar. Alleen de rotgans trekt in grote aantallen door naar Zuid-Engeland en de Franse westkust en van de grauwe gans gaat een deel naar Spanje, terwijl een groeiend deel van de brandganzen helemaal niet meer wegtrekt. Dit artikel zet herkomst, route, aantallen en timing per soort op een rij, met de tegenstrijdigheden tussen de bronnen erbij.
Ze komen over in een V, of in een lint dat geen vorm heeft, en ze gaan door. Dat is het moment waarop bijna iedereen dezelfde vraag stelt: waar gaan ze eigenlijk heen? Het antwoord is verrassender dan je zou denken, want voor de meeste ganzen die in november boven je huis overkomen, is Nederland niet de doorreis maar de bestemming.
Dit artikel gaat over de reis. Welke gans waarvandaan komt, of hij hier blijft of doorvliegt, hoe lang hij erover doet en wanneer hij weer vertrekt. Wil je weten welke soort je vóór je hebt en waar de grote groepen nú zitten, dan staat dat in Ganzen kijken in het najaar.
Nederland is voor de meeste soorten het eindstation
Het beeld van trekvogels is dat ze ergens langskomen. Voor ganzen klopt dat maar half. Sovon noemt de kolgans in ons land een “doortrekker en wintervogel in zeer groot aantal” en schrijft erbij dat Nederland voor die soort “een overwinteringsgebied van groot internationaal belang” is. Bij de brandgans staat dezelfde formulering, met een getal erachter: een overwinteringsgebied van groot internationaal belang, “(60%)”.
Bij de toendrarietgans is Sovon nog stelliger. Die komt hier “voor als wintergast”, punt — doortrek naar elders wordt niet genoemd. En in hetzelfde document staat iets wat tegen het gevoel in gaat: “Strenge vorst en sneeuwval leiden in Nederland niet tot massale wegtrek.” Soms komt er bij vorst juist een toestroom van vogels die eerder oostelijker zaten.
Zo’n groep in een winters weiland is dus meestal geen tussenstop. Die ganzen zijn aangekomen.
Waar ze vandaan komen

De herkomst verschilt per soort, en het is bij alle wintergasten verder weg dan mensen inschatten.
| Soort | Broedgebied volgens de bron |
|---|---|
| Kolgans | De bij ons overwinterende ondersoort broedt volgens het Natura 2000-profiel in “Europees Rusland en West-Siberië”. Vogelbescherming: “Broedt op Noord-Siberische toendra’s.” |
| Brandgans | Volgens het Natura 2000-profiel Groenland, Spitsbergen, Nova Zembla en recent ook langs de kust van Noord-Rusland. Sovon noemt de aantallen hier “sterk bepaald door de grote Russische broedpopulatie”. |
| Toendrarietgans | Sovon: de bij ons overwinterende vogels broeden “vooral op de toendra van Europees Rusland”, binnen een areaal dat loopt “van Noord-Scandinavië tot ver in het oosten van Siberië”. |
| Rotgans | Sovon: “broedt in Arctisch Rusland, met het Taimyr schiereiland als zwaartepunt”. Vogelbescherming: “Rotganzen broeden op de Siberische toendra’s. Niet in Nederland.” |
| Grauwe gans | Hier wordt het ingewikkeld, zie hieronder. |
| Kleine rietgans | Sovon: “De soort broedt op Groenland, IJsland en Spitsbergen.” |
De rotgans legt daarvoor de grootste afstand af, en hoeveel precies hangt af van wie je het vraagt. Vogelbescherming schrijft dat een flink deel van de vogels “meer dan 5000 km” aflegt; Natuurmonumenten houdt het op “meer dan vierduizend kilometer”. Beide zijn beheerders- of beschermingsbronnen, en ze komen niet uit op hetzelfde getal.
De grauwe gans is het buitenbeentje
Bij de grauwe gans staan twee bronnen lijnrecht tegenover elkaar, en dat komt doordat de situatie is veranderd. Het Natura 2000-profiel noemt de overwinteraars hier “vooral afkomstig uit de broedgebieden in Scandinavië en Duitsland”. Het Sovon-soortdocument van oktober 2024 schrijft dat de Nederlandse grauwe ganzen “grotendeels standvogel” zijn, dat Nederlandse broedvogels in 2009 al 69% van de overwinteraars vormden tegen 30% in 2001, en dat “Scandinavische broedvogels in de winter steeds vaker dichter bij huis” blijven.
Het profiel is van 2008 en staat nog altijd online in een map die “actueel” heet. Wie alleen dat leest, houdt een beeld over dat zeventien jaar oud is. Een grauwe gans in een Nederlandse winterwei is tegenwoordig waarschijnlijk gewoon een Nederlandse grauwe gans.
Welke ganzen wél doorvliegen, en waarheen
Er zijn er, maar het zijn er minder dan je denkt, en de bestemmingen zijn per soort anders.
De rotgans is de echte doortrekker. Sovon schrijft dat de Waddenzee in het najaar doortrekgebied is voor vogels die langs de Engelse oost- en zuidkust en langs de Franse westkust overwinteren, en dat de Waddenzee in het voorjaar dient “als verzamelplek voor de trek naar de broedgebieden”. Vogelbescherming zegt het korter: “Een ander deel van de rotganzen trekt door naar Zuid-Engeland.” Dat de rotgans hier vooral op doorreis is, zie je terug in de aantallen: het geschatte maximum ligt in de winter op 51.600 tot 60.800 vogels, maar tijdens de doortrek in april en mei op 76.300 tot 88.300.
Van de grauwe gans gaat een deel naar Spanje — “een wellicht steeds kleiner wordend aandeel daarvan vliegt door naar Spanje”, aldus het Natura 2000-profiel.
De kleine rietgans is van eindbestemming tussenstop geworden. Sovon schrijft dat Nederland lang “als belangrijk overwinteringsgebied” fungeerde en nu vooral dient “als belangrijke tussenstop van Kleine Rietganzen die in Vlaanderen overwinteren”. Waarom dat veranderde, staat verderop; het is het scherpste voorbeeld in dit hele verhaal.
Voor de kolgans vond ik geen bestemmingsland. De bronnen zeggen dat de soort hier doortrekker én wintervogel is en dat de vogels in westelijke tot zuidwestelijke richting naar vooral West-Europa vliegen, maar geen enkele bron die wij raadpleegden noemt een land waar Nederlandse doortrekkers naartoe gaan. Dat is dus niet bekend, of in elk geval niet gepubliceerd op een plek die wij konden controleren.
Hoeveel het er zijn, en hoe groot het Nederlandse aandeel is
Over het totaal lopen de cijfers ver uiteen, en dat is op zichzelf de moeite van het vermelden waard. Het meest recente Sovon-watervogelrapport meldt voor januari 2024 “maximaal 2,9 miljoen ganzen” en noemt dat een recordmaximum, met de kanttekening dat het “meestal gaat het gemiddeld om 2,3 miljoen vogels”. Sovon Nieuws schrijft dat het maximum sinds 2009/10 “op een tamelijk stabiel niveau” ligt. De Sovon-themapagina houdt het op ruim twee miljoen. Landschap Overijssel schrijft over “zo’n twee miljoen ganzen”, Landschap Noord-Holland schreef in 2018 over “anderhalf miljoen”.
Een deel van dat verschil is uitlegbaar: een seizoensmaximum is iets anders dan een seizoensgemiddelde, en de jaren verschillen. Maar anderhalf miljoen en 2,9 miljoen zijn te ver uit elkaar om hetzelfde verhaal te zijn. Als je één getal wilt noemen, neem dan het maximum uit het meest recente telrapport en zeg erbij uit welk seizoen het komt.
Per soort, met de periode erbij waarover het cijfer gaat:
| Soort | Geschat maximum in de winter | Nederlands aandeel van de flyway |
|---|---|---|
| Kolgans | 820.000–990.000 (winters 2016/17–2020/21) | Niet vermeld in het recente Sovon-document |
| Brandgans | 710.000–870.000 (2016/17–2020/21) | Zie hieronder — de bronnen verschillen sterk |
| Toendrarietgans | 240.000–350.000 (2016/17–2020/21) | Tot circa 45%, vooral in koudere winters |
| Grauwe gans | Seizoensgemiddelde 300.000 (2014/15–2019/20) | 56% van 800.000 (2020) |
| Rotgans | 51.600–60.800 (2016/17–2020/21) | Circa 30% in de winter; 39% in het voorjaar volgens een ouder profiel |
| Kleine rietgans | Seizoensgemiddelde 1.700 (2014/15–2019/20) | “Hiervan overwintert 5-10% in ons land.” |
Bij de brandgans is het aandeel niet vast te pinnen. De Sovon-soortpagina noemt in sommige winters “ongeveer 80% van de flyway-populatie”. Het Sovon-soortdocument van oktober 2024 noemt op de ene plek 56% en elders in hetzelfde document 60%. Sovon Nieuws schrijft dat het aandeel “ligt momenteel rond de vijftig procent”, tegen bijna driekwart in 2000–2010. Het Natura 2000-profiel uit 2008 kwam uit op 95%.
De richting is wel eenduidig: het aandeel van de flyway dat hier overwintert, neemt af. Het niveau is dat niet, en twee van die getallen staan in hetzelfde document.
De route: er is niet één naam voor
Wie de trekroute wil noemen, loopt tegen een probleem aan dat zelden wordt benoemd: de bronnen gebruiken per soort een andere naam. Sovon spreekt bij de kolgans van de Noordzee-flyway, bij de rotgans van de “West-Siberische/West-Europese flyway-populatie”, bij de toendrarietgans van de “Siberische/Noordoost- en Zuidwest-Europese flyway-populatie” en bij de grauwe gans van de Noordwest-Europese populatie.
Beheerders gebruiken een overkoepelende term. Nationaal Park Lauwersmeer schrijft: “Ons land ligt precies op een belangrijk knooppunt op de Oost-Atlantische trekroute.” Natuurmonumenten omschrijft die route — voor trekvogels in het algemeen, niet specifiek voor ganzen — als een route “die voert van Siberië en Noordoost Canada via de Waddenzee naar de Afrikaanse westkust”. Het Werelderfgoed Waddenzee noemt de East Atlantic Flyway in het Engels “one of the world’s most important migration corridors”, met de Waddenzee als een van de belangrijkste rust- en verzamelgebieden eraan.
Beide zijn juist. “Oost-Atlantische trekroute” is de grote route waarop Nederland ligt; de flyway-populaties van Sovon zijn de afzonderlijke eenheden waarin de tellingen worden gedaan. Wie het één gebruikt, moet niet doen alsof het ander niet bestaat.
In één ruk of met tussenstops?
Met tussenstops, en voor de rotgans is dat precies geteld. Vogelbescherming: “Daarbij wordt tot 1056 km afgelegd in één vlucht, de totale route wordt in zo’n 16 etappes afgelegd.” Zestien etappes voor ruim vierduizend kilometer: dat is gemiddeld een kleine driehonderd kilometer per keer.
Voor de brandgans is de route uitgezocht in een Gronings proefschrift. Die trekt volgens de Nederlandse samenvatting ervan traditioneel “via pleisterplaatsen langs de Oostzee (Gotland, Öland, Estland)” naar “Arctisch-Russische broedgebieden aan de Barentszzee (Nova Zembla, Vajgatsj, Petsjora Delta)”. Onderweg blijven de vogels ongeveer drie weken op de arctische pleisterplaatsen. Maar veel brandganzen slaan de Oostzee-stop tegenwoordig over of blijven er korter — daarmee hebben ze “de afstand tot de broedgebieden (voorheen ca. 3500 km) flink ingekort”.
Wanneer ze komen en wanneer ze gaan

| Soort | Aankomst | Hoogste aantallen | Vertrek |
|---|---|---|---|
| Rotgans | Vanaf eind september | Doortrekpiek april–mei | Eind mei of begin juni |
| Grauwe gans (overwinteraars) | Vanaf september | — | Februari en maart |
| Brandgans | Vanaf oktober, eerste vanaf half september | Januari; doortrekmaximum in maart | April en mei |
| Kolgans | Vanaf oktober | November–februari; doortrekpiek november | Maart |
| Toendrarietgans | Eerste vogels in oktober | November–februari | Februari bij zachte winters, uiterlijk maart bij koude |
| Kleine rietgans | Oktober | November–december | Uiterlijk maart |
Voor alle ganzen samen geldt volgens Sovon Nieuws: “Meestal wordt dit seizoensmaximum bereikt in januari, een enkele keer al in december of pas in februari”. Begin november, als dit artikel verschijnt, is de instroom dus nog in volle gang.
En dat schema schuift op
Dit is het deel waar de bronnen het meest uitgesproken zijn, en het gaat niet over een enkel jaar.
Over de kolgans schrijft Sovon over een “latere aankomst van de hoofdmacht, verandering trekstrategie” en dat “Kolganzen steeds kortere perioden in Nederland verblijven”. Over de toendrarietgans gaat het over “een vertraging in de aankomst van grote aantallen in het najaar” en “de kortere verblijfsduur van grote aantallen”. En over allebei tegelijk: “Vooral Kolgans en Toendrarietgans doen er de laatste seizoenen langer over om hun winterkwartieren in ons land te bereiken.” Aan de andere kant van het seizoen gebeurt hetzelfde: “Verschillende soorten starten nu hun voorjaarstrek tegenwoordig al in januari”.
Dat heeft een gevolg dat makkelijk verkeerd wordt gelezen. Als er in Nederland minder ganzen worden geteld, hoeft de populatie niet te zijn afgenomen. Sovon koppelt de recente afname bij de kolgans vooral aan die kortere verblijfsduur en latere aankomst, niet aan minder vogels.
De kleine rietgans die in Denemarken bleef
Het duidelijkste voorbeeld van een trekstrategie die binnen één generatie verschuift. In november 2009 kwam nog 65% van de Spitsbergen-broedpopulatie naar Nederland; in november 2015 was dat ruim 10%. Sovon schrijft dat de vogels “in toenemende mate in Denemarken blijven hangen en niet (of zeer kort) naar de Lage Landen trekken”, door “verbeterde voedselomstandigheden, daarbij geholpen door het uitblijven van koude winters” en door “de sterke uitbreiding van de teelt van maïs in Denemarken”. Want: “Maïs is optimaal voedsel voor Kleine Rietganzen”, en dat soort voedselzoeken gebeurt in Nederland niet op grote schaal.
De conclusie die Sovon eraan verbindt is opmerkelijk nuchter: de aangepaste trekstrategie laat zien dat de soort makkelijk kan inspelen op veranderingen in landgebruik. Een Deense maïsakker heeft een Nederlandse gansensoort vrijwel doen verdwijnen, zonder dat er één vogel minder is.
Wat de zenders laten zien
In september 2025 verscheen onderzoek van de Universiteit van Amsterdam en het NIOO-KNAW waarin met GPS “de voorjaarstrek van meer dan 500 vogels van vijf grote watervogelsoorten” werd gevolgd. De vogels blijken de tijd te kunnen verkorten “die ze besteden aan het rusten en bijtanken tijdens de reis”: in jaren waarin het Noordpoolgebied vroeg ontdooide wisten kolgans en kleine zwaan hun tussenstops in te korten, en “Sommige individuen wisten hun totale opvettijd met wel 30% te verkorten”.
Met een grens eraan. Vogels met veel tussenstops en korte vluchten ertussen kunnen de lente beter volgen; soorten die lange etappes of over zee vliegen hebben minder speelruimte. En de onderzoekers zelf: “Maar als we kijken naar de huidige snelheid waarmee de Noordpool opwarmt, tikt de klok door.” Rond het midden van deze eeuw zullen de vogels mogelijk andere strategieën moeten inzetten.
De brandgans die helemaal niet meer weggaat

Een deel van de brandganzen die je hier ziet, komt nergens vandaan. Die broeden hier.
Sovon telt 14.000 tot 20.000 broedparen over 2018–2020 en noemt die broedpopulatie “minder dan 5% van de flyway-populatie”. Over wanneer dat begon spreken twee Sovon-bronnen elkaar tegen: het soortdocument van oktober 2024 schrijft dat er “sinds 1988” sprake is van een broedpopulatie, terwijl een artikel in Limosa uit 2007 — met een van dezelfde auteurs — schrijft: “Het eerste broedgeval van de Brandgans vond plaats in 1982.” Welk jaartal het juiste is, durven wij niet te zeggen.
Wat er met die vogels gebeurde, heeft in de Vogelbalans 2025 een naam: migratory drop-off. Ze zijn “gestopt met trekken: ze blijven het hele jaar in Nederland”. Onderzoeker Chiel Boom, die er in 2022 op promoveerde, vat het resultaat zo samen: “Niet-trekkers hebben zich succesvol aangepast aan een nieuwe levensstijl en doen het minstens zo goed als de trekkers”. Ze hoeven geen vetreserves voor de trek op te bouwen en zijn minder afhankelijk van de zomerpiek in het voedselaanbod.
En de twee groepen staan niet los van elkaar. Onderzoek op meer dan 22.000 gekleurringde brandganzen uit 1995–2023 laat zien dat “langeafstandsdispersie weliswaar zeldzaam is, maar wel degelijk voorkomt”: er vertrekt jaarlijks een deel van de hier geboren vogels alsnog naar de Arctische broedgebieden. Die uitwisseling gaat vrijwel alleen noordwaarts. De Nederlandse populatie groeit dus grotendeels op eigen kracht.
Eén waarschuwing bij dit hoofdstuk: de Nederlandse brandgans als broedvogel neemt recent weer af. Hoeveel precies, staat in een Sovon-broedvogelrapport dat wij niet volledig hebben kunnen inzien.
Waar je het ziet gebeuren

De plekken hieronder noemen de beheerders zelf, met hun eigen woorden.
Nationaal Park Lauwersmeer beschrijft het ritme waar het om draait: de ganzen eten overdag en komen tegen de avond terug om met zijn allen op het water te slapen, waar ze veilig zijn voor de vos. De Ezumakeeg is volgens het park een van de beste plekken; kom tegen zonsondergang en je ziet duizenden laag overvliegende ganzen. Verder noemt het park de Bantpolder, de Anjummer Kolken en Jaap Deensgat.
Natuurmonumenten over de Bantpolder: “Ieder najaar en winter maken duizenden ganzen gebruik van de Bantpolder om te eten en te rusten.” En: “Ieder jaar lijken er meer te komen.”
Over de Banckspolder op Schiermonnikoog: “Van half september tot eind mei zit de polder vol ganzen.” De brandgans is daar de talrijkste soort, tot wel 25.000 vogels.
Landschap Noord-Holland noemt plekken waar je de trek over ziet komen in plaats van landen: bij de Afsluitdijk, langs de kust en tegenwoordig ook op IJburg bij Amsterdam. Met de kanttekening dat het weer meedoet: “Vooral zonnige dagen met zuidelijke of zuidoostelijke winden kunnen onvergetelijke taferelen opleveren.”
Staatsbosbeheer over de Oostvaardersplassen: daar overwinteren elk jaar vele tienduizenden brandganzen en kolganzen, en voor ruiende grauwe ganzen is het “een van de belangrijkste gebieden in Noordwest-Europa”. Kijkplekken voor ganzen noemt die pagina niet.
Wil je weten wat er deze maand verder te zien is, kijk dan in de wildkalender voor november.
Wat we niet zeker weten
Drie dingen die in dit artikel bewust ontbreken.
Waar de kolganzen heen gaan die hier doortrekken. Dat Nederland voor de kolgans ook doortrekland is, staat in de bronnen. Welk land de bestemming is, staat er niet.
Of de rotgans en de grauwe gans ook later aankomen. Voor kolgans, toendrarietgans, kleine rietgans en brandgans zeggen de bronnen dat expliciet. Voor die twee hebben wij niets gevonden — wat niet hetzelfde is als dat het niet gebeurt.
Hoeveel brandganzen er precies niet meer trekken. De 14.000 tot 20.000 broedparen zijn de broedpopulatie, en dat is iets anders dan het aantal vogels dat de trek heeft opgegeven. Geen van de bronnen koppelt daar een getal aan.
Veelgestelde vragen
Waar gaan de ganzen heen in de winter?
Voor de meeste soorten die je in Nederland ziet, gaan ze nergens heen: Nederland is het overwinteringsgebied zelf. Ze komen uit Arctisch Rusland, Siberië, Spitsbergen, Nova Zembla en Scandinavië en blijven hier tot het voorjaar. Alleen de rotgans trekt in grote aantallen door naar Zuid-Engeland en de Franse westkust, en van de grauwe gans gaat een deel naar Spanje.
Waar komen de ganzen in Nederland vandaan?
Per soort anders. Kolgans en toendrarietgans uit Europees Rusland en Siberië, rotgans uit Arctisch Rusland met het Taimyr-schiereiland als zwaartepunt, brandgans uit Groenland, Spitsbergen, Nova Zembla en Noord-Rusland, kleine rietgans van Groenland, IJsland en Spitsbergen. De grauwe ganzen die hier overwinteren zijn tegenwoordig grotendeels Nederlandse standvogels.
Wanneer vertrekken de ganzen weer?
De grauwe gans in februari en maart, de kolgans in maart, de toendrarietgans in februari bij zachte winters en uiterlijk maart bij koude. De brandgans vertrekt in april en mei, de rotgans als laatste: eind mei of begin juni.
Hoe ver vliegt een gans?
De rotgans het verst. Vogelbescherming houdt het op meer dan vijfduizend kilometer, Natuurmonumenten op meer dan vierduizend. Die reis wordt afgelegd in ongeveer zestien etappes, met tot 1056 kilometer in één vlucht. De brandgans vloog voorheen ongeveer 3500 kilometer naar de Barentszzee, maar heeft die afstand ingekort door zuidelijker te gaan broeden.
Hoeveel ganzen overwinteren er in Nederland?
Het meest recente Sovon-telrapport noemt maximaal 2,9 miljoen in januari 2024, een record, met als gewone orde van grootte 2,3 miljoen. Andere bronnen noemen ruim twee miljoen of anderhalf miljoen. Noem bij dit getal altijd het seizoen erbij, anders vergelijk je appels met peren.
Waarom zie ik steeds minder ganzen dan vroeger?
Dat hoeft niet te betekenen dat er minder zijn. Sovon koppelt de recente afname bij de kolgans vooral aan latere aankomst en kortere verblijfsduur: dezelfde vogels, korter hier. En bij de kleine rietgans bleef het grootste deel in Denemarken hangen omdat daar meer maïs wordt geteeld.
Blijven er ganzen het hele jaar in Nederland?
Ja. De grauwe gans is hier grotendeels standvogel geworden, en een deel van de brandganzen is volledig gestopt met trekken en broedt hier. Dat laatste heet in de literatuur migratory drop-off; het gaat om 14.000 tot 20.000 broedparen, minder dan vijf procent van de flyway-populatie.
Laatst gecontroleerd: 02-11-2026
Alle artikelen · Hoe wij aan onze informatie komen
De seizoensmail
Eén keer per maand een korte mail: welke dieren er die maand te zien zijn, in welke gebieden, en wat er die maand net begint of juist ophoudt. Niet vaker, en nooit een advertentie.
Je krijgt eerst een mailtje met een bevestigingslink. Pas als je daarop klikt sta je op de lijst — zo kan niemand jouw adres aanmelden.